Het potje van kabouter Otje II

 

Dit is het tweede deel van het sprookje over de toverpoeder van kabouter Otje. In dit deel beleeft mijn vader een eng avontuur onder de grond. De illustraties dateren denk ik uit 1944, toen mijn vader net getrouwd was en met mijn moeder aan de Frederikslaan in Heiloo boven de garage van zijn ouders woonde. Het was vanwege de Duitse bezetting een moeilijke tijd, maar mijn ouders hadden ook last van muizen.

 

Kabouter Otje weet raad

Inmiddels is in het bos het elfje wakker geworden. Het duurt even, voordat zij zich herinnert hoe zij hier op dat mooie plekje mos terecht is gekomen. “Dat is waar ook, ik hang niet meer aan touwtjes. Ik ben vrij om te vliegen en te dansen waarheen ik wil. Alleen voel ik mij niet blij en vrij, zolang de muizenkoningin gevangen zit.”

Zij besluit direct naar de bosvijver te vliegen, waar kabouter Otje zit. Die is druk bezig met zijn toilet. Zijn rode mutsje ligt op het gras en hij is bezig zijn puntvormige baard te kammen. Daarbij geniet hij van het vrolijke gekwetter van vogels die de zon begroeten.

Ineens ziet hij hoe het elfje met licht trillende vleugels over het water scheert. “Hé, elfje, kijk toch uit wat je doet. Zo krijg je nog natte voetjes.” roept hij uit.

Het elfje landt met een sierlijke boog op de kop van een groen kikkerdier. Die begint luidkeels te protesteren:

“Dame, U beneemt een deel van mijn uitzicht. Ik zit hier vliegen te vangen voor mijn ontbijt, maar zo komt daar natuurlijk niks van terecht.”

“Oh, neemt u mij niet kwalijk,” antwoordt het elfje en ze vliegt omhoog naar de oever toe, waar kabouter Otje aanstalten maakt zijn laatste baardharen glad te strijken.

“Bent u kabouter Otje?” vraagt ze voorzichtig. “Wie anders,” moppert die, “er is maar één kabouter in het hele bos en dat ben ik. En wie ben jij?”

“Ik ben elfje. Jan, de marionettenmaker heeft mij gemaakt van lapjes stof.”

“Hou mij niet voor de gek, elfje. Marionetten hangen de hele dag stil aan hun draadjes. En jij vliegt hier vrolijk rond.”

“Dat weet ik wel, maar vannacht kwam er een poeder over mij heen en daarop voelde ik een eigenaardige trilling door mij heengaan. Het was heel gek.”

“Een vreemd verhaal, dat voorspelt niet veel goeds. Wat wil jij van mij weten?”

“Wat ik doen kan voor de muizenkoningin. Ze is gevangen genomen door de tovenaar van Jan.”

“De tovenaar van Jan? Is die ook al in het bos aan het rondspoken? Wel, verdorie, bij de baard van mijn opa, daarvoor heb ik die toverpoeder niet aan Jan gegeven, om hier in het bos de boel op stelten te zetten. En waar zit de muizenkoningin gevangen? Weet jij dat?”

“Nee, kabouter Otje, ik weet het niet. De muizenburgemeester wist het ook niet. En de maan zei dat ik maar aan jou moest vragen wat ik doen kon.”

Kabouter Otje zet zijn rode puntmutsje op en begint met fronsende wenkbrauwen aan zijn baard te trekken. “Het zou mij niets verbazen als die tovenaar zich onder de oude eik in de ronde O verstopt heeft. Zijn toverstaf is gesneden uit een tak die bij een herfststorm van die eik afvloog. Jan had die tak beter met rust kunnen laten. Ik heb hem nog gewaarschuwd. Maar eigenwijs als hij is, zag hij een mooie toverstaf in die tak en ging meteen aan de slag om een tovenaar te maken. Nu heb je de poppen aan het dansen. Maar alleen ga ik niet dat donkere hol onder de eik binnen. Het is daar al zo eng zonder een tovenaar.”

Kabouter Otje begint ineens te lachen. “Elfje, ik heb een plan. Zorg dat je vanmiddag in de buurt van de oude eik bent. Als mijn voorgevoel mij niet bedriegt, zul je daar Jan aantreffen. Hij mag jou niet zien. Verstop je dus zolang in de struiken. Daar vind ik jou wel. Dan zal ik jou vertellen wat je doen kunt voor die arme muizenkoningin. Die Jan, wat zal hij opkijken!”

Kabouter Otje verdwijnt zonder gedag te zeggen in de bosjes. “Wat een vreemd mannetje,” denkt het elfje, “maar ik zal doen wat hij zegt. Misschien is hij niet zo gek, als hij eruit ziet.”

 

muizen2

 

In de ronde O

Die middag loopt Jan door het bos naar de ronde O. Hij is benieuwd of muis Langstaart iets afweet van de plotselinge verdwijning van de tovenaar en het elfje. En bovendien hoopt hij te kunnen genieten van de muziek die het Heilooërmuizenorkest omstreeks deze tijd ten gehore brengt. Dat valt tegen. Wanneer hij de oude eik bereikt heeft, merkt Jan op dat de muizen helemaal geen muziekinstrumenten bij zich hebben en een klaaglijk gezang ten gehore brengen. Wel doet muis Langstaart, staande op een paddestoel, zijn best om een pittig tempo aan te houden. Twee muizen luisteren vanuit een holte in de oude eik toe.

“Wat een klaagzang!” roept Jan. Muis Langstaart valt van schrik van de paddestoel. Hij was zo verdiept geweest in het zwaaien met zijn dirigeerstokje dat hij Jan niet eens had horen aankomen.

“Oh, wat spijt mij dat. Vandaag geen muziekuitvoering, helaas, te veel zorgen,” verontschuldigt hij zich.

“Eén dag getrouwd en nu al te veel zorgen?,” antwoordt Jan verbaasd.

“Nee, nee, heel gelukkig getrouwd met Flapoortje, dat is het probleem niet. Maar een tovenaar heeft onze geliefde muizenkoningin gevangen genomen! Daarom zingen we vandaag alleen treurliederen.”

Op dat moment verschijnt het elfje boven het hoofd van Jan. Ze houdt een geheimzinnig flesje vast. Jan ziet haar niet. Maar dan voelt hij een paar koude druppels via zijn nek naar beneden glijden over zijn rug.

“Help, wat gebeurt er,” roept hij en dan ziet hij tot zijn schrik dat hij bijna zo klein is geworden als muis Langstaart. Uit de bosjes komt kabouter Otje te voorschijn schuddebuikend van het lachen. “Die Jan, zo kunnen we tenminste met jou praten zonder een stijve nek te krijgen van het omhoog kijken.”

Jan kan de grap niet waarderen. “Wat heb je me nou voor een streek geleverd? Wat zal Rieka wel niet zeggen, als ik zo klein door het muizenhol de keuken binnenkom?”

“Ja, dat zijn mijn zaken niet. Ik heb handlangers nodig voor een gevaarlijke onderneming. Zie jij dat hol in die eik daar met dat trappetje ervoor? Daar gaan we zo direct naar binnen om op zoek te gaan naar de muizenkoningin. Ik vermoed dat die tovenaar van jou hierbeneden bij haar de wacht houdt. Uiteraard zal hij al het mogelijke doen om ons tegen te houden. Nu weet hij nog van niets, maar het licht van onze lantaarn zal, vrees ik, onze aanwezigheid verraden.”

Nu merkt Jan op dat het elfje dat hij kwijt was naast hem staat. Wat is ze mooi, zo van dichtbij. Haar vleugels schitteren in het zonlicht en haar gezicht kijkt hem zo lief aan dat Jan het er warm van krijgt.

“Het spijt mij van die paar druppels,” zegt ze verlegen, “ik wist niet dat je er zo klein van zou worden. Ik heb gedaan wat kabouter Otje mij opdroeg.”

“Het geeft niet, elfje,” antwoordt Jan, “nu ben ik eindelijk een deel van mijn eigen sprookjeswereld geworden. Mijn ogen kunnen jouw schoonheid bijna niet verdragen. Ik wist niet dat ik jou zo mooi had gemaakt.”

“Geen tijd voor sprookjes,” onderbreekt kabouter Otje hen, “we moeten aan de slag. Onze kracht ligt in de verrassing. Muis Langstaart, ben jij bereid met Jan en mij in de oude eik af te dalen?”

Voordat de dirigent van het Heilooër muizenorkest luidkeels tegen dit voorstel heeft kunnen protesteren, maakt Flapoortje zich los uit het muizenkoor. “Langstaart, ik ga met je mee om de muizenkoningin te bevrijden. Ik laat je niet alleen gaan. Straks loop je weer in een val.”

Langstaart kijkt beteuterd op. Dan vermant hij zich. “Goed, Flapoortje, je hebt gelijk. We gaan samen dat donkere hol binnen achter kabouter Otje en Jan aan.”

Het elfje kijkt bezorgd. “Jullie komen toch weer heelhuids terug, hè? Die tovenaar is een hele kwaaie jongen!”

Een voor een ziet ze het dappere viertal de oude eik binnenklimmen. Dan zijn ze verdwenen. De achtergebleven muizen zijn er stil van. Zou de muizenkoningin dan toch nog bevrijd worden?

 

 

Gevaarlijk avontuur

Beneden diep onder de grond zit de tovenaar te genieten van de mooie vangst die hij gedaan heeft. “Ha, ha, een echte koningin met een gouden troon op. Wat een geluk dat zij mijn weg passeerde. Eén tikje met mijn toverstaf en ze was in mijn macht. Nu zit ze daar verdrietig voor zich uit te staren. Altijd een leventje als vorstin gewend en nu ineens voor een ander in touw zijn. Dat valt niet mee. Ik weet ervan, want al die dagen dat ik aan de touwtjes hing, moest ik voor Jan het hooggeëerd publiek behagen. Rechtervoetje naar voren, linkervoetje naar voren, terwijl hij aan de touwtjes trok. En dan een schalkse blik de zaal inwerpen, ook al had ik zin om wat anders te doen. Nee, dat was geen leven voor een tovenaar. Een echte tovenaar is vrij en hangt niet machteloos aan touwtjes van een ander…. Maar wat zie ik daar in de verte? Dat lijkt wel een licht. Welke dwazen wagen zich in mijn buurt? Weten zij dan niet dat het hier niet pluis is? Wacht, ik zal mij goed verstoppen.”

Kabouter Otje, Jan en het muizenbruidspaar dringen steeds dieper in het donkere hol door. Plotseling staat kabouter Otje stil. “Ik hoor wat,” fluistert hij, “jullie moeten nu allemaal heel stil zijn.”

Bom! Daar struikelt Jan over een glimmend metalen voorwerp. Kabouter Otje verlicht het met zijn lantaarn. “Wat is dat nu? Een hoepel van goud?”

Jan krabbelt overeind. “Er staan letters in gegraveerd,” fluistert hij.

“Kan jij het lezen?” vraagt de kabouter. “Rieka,” roept Jan verbaasd uit, “er staat Rieka in deze hoepel! Het is helemaal geen hoepel. Het is een ring, mijn trouwring!”

“Stil nou toch, Jan,” sist kabouter Otje, “straks hoort de tovenaar jou praten.”

Jan tilt de ring overeind en draagt hem voor zijn borst.”Zie zo,” denkt hij, “die zal ik geen tweede keer verliezen.”

Nu naderen ze het vertrek waar de muizenkoningin zit te kniezen. In het licht van een brandende kaars is te zien dat zij niet aan een of andere wortel vastgebonden zit. Het lijkt een peulenschil om haar mee te voeren naar buiten. Langstaart en Flapoortje rennen naar haar toe.

“Koningin, koningin, we komen u bevrijden,” roepen ze opgewonden, “komt u maar achter ons aan, wij weten de weg naar buiten.” Maar de koningin reageert niet. Het lijkt wel of ze het muizenpaar helemaal niet opmerkt. Flapoortje schrikt ervan: “Langstaart, ze is betoverd, ze staart maar wat voor haar uit.”

“Juist, nieuwsgierig stel muizen. ze is betoverd,” klinkt een stem achter hen. “Wat voert jullie hierheen?” lacht de tovenaar, “willen jullie soms ook betoverd worden?”

En hij zwaait zijn toverstaf al in de lucht.

Daarop komt Jan te voorschijn in het licht. “Hé, lelijke tovenaar, wil jij wel eens naar mij luisteren! Geef die toverstaf aan mij, hij is van mij. Ik heb hem gevonden in het bos.”

Verrast draait de tovenaar zich om. Hij kan zijn ogen niet geloven. Daar staat Jan, de marionettenspeler, maar zo klein dat hij wel een kabouter lijkt.

“Wel, potverdrie, het spookt hier echt. Wat is dat voor een toverkunst die zulke kleine mensjes produceert?”

“Dat verklap ik jou alleen,” antwoordt de kleine Jan, “als jij mij nu snel die toverstaf geeft.”

“Nooit zal ik deze staf afstaan en zeker niet uit nieuwsgierigheid. Laat maar eens zien dat jouw toverkunsten machtiger zijn dan de mijne. Jij mag dan wel mijn maker zijn. Met naald en draad en eindeloos geduld heb jij mij in elkaar geflanst. Dat zal ik nooit vergeten. Een kunstenaar ben jij, dat geef ik toe, maar nog geen tovenaar. En nu goed opgelet, met één tikje van mijn staf maak ik van jou… mijn mooiste marionet.”

“Kijk uit, Jan,” roept kabouter Otje, “maak dat je weg komt.” Maar Jan lijkt wel aan de grond genageld. Hoog torent de figuur van de tovenaar boven hem uit. Is dat nu de marionet die hij zelf gemaakt heeft? Daar schieten vonken uit de toverstaf. In een reflex gooit Jan zijn gouden ring omhoog precies over de toverstaf.

De tovenaar deinst achteruit. “Ah, wat is dat voor een kwaadaardig ding, het vuur van mijn toverstaf dooft uit, mijn arm lijkt wel van steen.”

Door deze woorden aangemoedigd besluiten Langstaart en Flapoortje ieder tegen een been van de tovenaar op te springen. Met een schreeuw valt de blauwe gestalte achterover. Nu ziet kabouter Otje zijn kans schoon. Hij zet zijn lantaarn neer en rent naar voren. En nog voordat de tovenaar beseft, wie hem onderuit hebben gehaald, pikt de kabouter hem zijn toverstaf af en breekt het ding door midden.

“Gebroken is de toverstaf, gebroken is zijn kracht, nu is de muizenkoningin niet langer in jouw macht,” roept kabouter Otje triomfantelijk uit.

De tovenaar krabbelt overeind en holt een donkere gang in. Tegen zo’n overmacht is hij niet bestand. Beduusd kijkt Jan hem na. “Daar gaat een van mijn mooiste marionetten de donkere aarde binnen. Zal ik hem ooit terug zien?”

 

Het potje van kabouter Otje III