Het potje van kabouter Otje I

Inleiding

Mijn vader Jan van Erkelens is een marionettenspeler die samen met Rie de Boer veel voor kinderen in Nederland heeft opgetreden. Volgens dit sprookje woonde hij vroeger aan de rand van het Heilooërbos. Hij was getrouwd met Rieka Habiecht. Maar in zijn verstrooidheid had hij al lang zijn trouwring verloren. Zou Jan de ring nog terugvinden? Als je het antwoord op deze vraag wilt weten, moet je verder lezen in dit sprookje dat ik rond Kerstmis 1987 voor mijn zoon David heb geschreven.

 

De Toverspiegel

Aan de rand van het Heilooërbos staat een klein huisje. Daar wonen Jan en Rieka. Jan is marionettenspeler van beroep en Rieka doet het huishouden. Als Jan niet met zijn theater op stap is, hangen zijn marionetten werkeloos in een hoek van de woonkamer. Alleen als de buurkinderen langs komen, wil Jan zijn marionetten wel tot leven wekken. Terwijl hij aan de diverse draadjes trekt, bewegen het wortelmannetje of het elfje alsof zij nooit anders gedaan hebben.

Op een avond werkt Jan aan zijn spel ‘De Toverspiegel’. Gebogen over een potje met geheimzinnig poeder mompelt hij:

“Want zie… ik strooi wat toverpoeder door de zaal,

En wie een snuifje opvangt, die gelooft het allemaal.

Elfen, en kabouters, spoken en geesten,

Griezelgestalten, en wondere waterbeesten.

Let op… zij komen allen bij ons binnen.

Het bonte spel gaat thans beginnen.”

“Jan!” weerklinkt het ineens uit de keuken, “heb jij van de kaas gesnoept?”

Jan schrikt wakker uit zijn gepeins. “Nee, Rieka, ik heb alleen een koekje bij de koffie genomen.”

“Wat gek, er ontbreekt een heel stuk van de kaas.”

“Misschien heeft een muis het meegenomen voor zijn wintervoorraad.”

“Een muis?” roept Rieka uit, “zo’n vies beest moet ik hier niet. Kun jij vanavond niet een muizenval neerzetten?”

Jan staat op van zijn werktafel en zet het potje toverpoeder bovenop een hoge kast. “Daar kan het geen kwaad,” denkt hij, terwijl hij uit een van de laden een grote muizenval te voorschijn haalt. Rieka is tevreden. Jan kiest voor de muizenval een mooie plek uit op de keukenvloer en legt er een verleidelijk stuk kaas in. Dan blaast Rieka het licht uit en gaan ze beiden naar bed om krachten op te doen voor de volgende dag.

 

 

Langstaart in de val

Buiten komt de maan op. Haar liefelijke stralen verlichten het stenen pad naar het huisje van Rieka en Jan. Daar komt muis Langstaart aangehuppeld.

“Nog een lekker stukje kaas voor mijn bruid Flapoortje halen,” piept hij, “dan zal ze me extra lief vinden.”

Langstaart glipt door een klein gaatje in de muur de keuken binnen en stevent recht op de voorraadkast af. Dan ruikt hij het stuk kaas in de muizenval.

“Hé, wat doet die kaas daar op de grond? Lusten ze dat niet meer? Net wat ik nodig heb.”

Langstaart klemt het smeuige stuk tussen zijn voorpoten. “Dat wordt smullen geblazen,” denkt hij.

Klik! De muizenval valt dicht. Langstaart zit gevangen. “Help, help,” roept hij verschrikt uit en hij begint heel hard te piepen.

Jan ligt boven onrustig te slapen. Dan wordt hij wakker van het gepiep in de keuken. “Wel, verdorie,” bromt hij onder de dekens, “daar hoor ik die muis al.” En hij stapt uit bed.

In het donker stoot hij beneden tegen de grote kast aan. Boven op de kast valt het potje toverpoeder om en een wolkje wit poeder dwarrelt omlaag precies op de puntmuts van de tovenaar, een marionet die Jan een jaar terug gemaakt heeft. Jan haast zich naar de keuken en merkt niet dat de tovenaar uit zichzelf begint te bewegen.

“Hè, hè, die domme Jan,” lacht de tovenaar. “Nu ben ik mijn eigen baas en hoef ik niet meer aan de touwtjes te hangen. Ik ga mooie toverkunsten uithalen in het bos.” Met zijn toverstokje tikt de tovenaar tegen het raam dat vanzelf openvliegt. Hij springt naar buiten en verdwijnt snel in het donkere struikgewas onder de bomen.

Intussen heeft Jan in de keuken een kaars aangestoken. In het licht ziet hij de arme Langstaart achter de tralies zitten van de muizenval.

“Help, help,” roept Langstaart uit, “heb medelijden met mij. Ik heb de kaas niet voor mijzelf willen pikken. Flapoortje, met wie ik vanavond zou trouwen houdt zo van ‘extra belegen’ en voor haar heb ik mij hier in de keuken gewaagd. Laat mij alsjeblieft vrij. De muizenburgemeester zit al in de trouwzaal op ons te wachten.”

Nu valt het Jan op dat de muis die hij gevangen heeft een heel deftig pakje draagt. Hij heeft een echte muizen-hogehoed op en een bruin leren jasje aan. Ineens moet hij denken aan zijn eigen huwelijksdag waarop hij Rieka een gouden ring over de vinger heeft geschoven. Zelf heeft hij van Rieka ook een prachtige ring gehad, maar die is hij op een kwade dag kwijtgeraakt. Het hele bos heeft hij afgezocht. Tevergeefs.

“Hoe heet je?” vraagt Jan aan de muis.

“Ik ben Langstaart, dirigent van het Heilooër muizenorkest. ’s Middags als het zonnetje schijnt geven wij concerten bij de oude eik in de ronde O.”

“Dat wil ik wel eens horen,” denkt Jan bij zichzelf, “zal ik Langstaart maar vrijlaten?”

Hij opent de muizenval. Langstaart glipt naar buiten en maakt een sierlijke beweging met zijn hogehoed. “Ik zal nooit meer kaas komen pikken,” belooft hij, “ik kan ook kaas kopen bij boer Kieft met de centjes die ik verdien als dirigent.”

Daarop verdwijnt Langstaart door het gat in de muur waardoor hij naar binnen gekomen is. Jan blaast de kaars uit en stommelt terug de woonkamer in. Hij is ineens zo slaperig dat hij niet opmerkt dat het raam openstaat. Vervolgens stoot hij nog eenmaal tegen de grote kast. Een wolkje toverpoeder daalt neer op het elfje, een van Jans lievelingsmarionetten. Haar prachtige vleugels beginnen te trillen, terwijl Jan de trap opklimt naar de slaapkamer toe.

“Wat heb ik mooie vleugels,” roept het elfje verrukt uit. “Nu kan ik vliegen van de ene vijver naar de andere. En wat heb ik mooie schoentjes, nu kan ik huppelen van de ene waterlelie naar de andere.”

 

muizen1

 

Verstoord huwelijksfeest

“Dag, lieve maan,” zegt het elfje, terwijl ze door het open raam van de woning van Jan en Rieka naar buiten vliegt. “Kun je mij vertellen of er vanavond iets in het bos te doen is?”

“Muis Langstaart en Flapoortje gaan trouwen! Wist jij dat niet, elfje?” antwoordt de maan.”

“Wat enig, een trouwerij! En waar vindt die dan plaats? Ik weet de weg niet in het bos.”

“Volg het pad naar de spoorrails, elfje, en sla dan voor het hek van de boerderij de brede beukenlaan in. Dan hoor je vast al een paar leden van het muizenorkest muziek maken. Daar moet je wezen.”

Elfje huppelt de spoorweg over en maakt een sierlijke vlucht over hoge brandnetels. Daar hoort ze in de verte vrolijke klanken. Ze vliegt op het geluid af. Aangekomen bij een grote rode paddenstoel met witte stippen ziet ze hoe drie muizen hun best doen de muizensuite ten gehore te brengen. Een klein dik muisje blaast op een trompetje, terwijl een ander met twee bekkens de maat aangeeft. Het elfje is echter het meest getroffen door het vioolspel van de concertmeester die geen oog schijnt te hebben voor het bruidspaar dat zojuist uit de paddenstoel te voorschijn komt.

“Lieve muizen,” begint Flapoortje, “hier is hij dan, Langstaart, mijn bruidegom. Hij was zo stom om in een muizenval te lopen. Gelukkig heeft Jan, de marionettenspeler, hem vrij gelaten. Nu draag ik mijn bruidssluier en mijn bruidsboeket niet voor niets. We kunnen feest vieren.”

“Lang leve, het bruidspaar,” juichen de muizen, terwijl ze kleurige bloemetjes in het rond strooien.

Daarop verschijnt de muizenburgemeester op het bordes. Hij zet een ernstig gezicht op. “Beste bosgenoten, jullie zijn vrolijk, dat begrijp ik wel en ik wens het bruidspaar alle geluk en voorspoed toe. Maar ik heb toch een ernstig bericht voor jullie. Vannacht is een tovenaar ons bos binnengeslopen en heeft de muizenkoningin gevangen genomen. Niemand weet waar ze zit. De hele hofhouding is overstuur. Wie weet wat ons nog meer boven het hoofd hangt.”

Het muizenorkest verstomt. Alle muizen kijken ineens heel verdrietig. Ook Elfje schrikt van het bericht. “Zou de tovenaar van Jan dat op zijn geweten hebben?” Ze vliegt snel weg op zoek naar een plekje vanwaar ze de de maan kan zien.

“Lieve maan,” roept zij, “hier ben ik weer, het elfje. Heb je vannacht een tovenaar over het bospad zien lopen bij het huisje van Rieka en Jan?”

“Misschien wel, elfje. Net toen ik beneden mij het huisje zag liggen, floepte een raam open en een vreemde figuur met een puntmuts sprong naar buiten. Meer heb ik niet g ezien. Er schoof een wolk voor het bos. En toen die wolk weggedreven was, zag ik muis Langstaart over de spoorrails springen. Daarop kwam jij te voorschijn.”

“Lieve maan, die man met die puntmuts is de tovenaar van Jan. Een heel enge meneer. Hij heeft de muizenkoningin gevangen genomen. Weet jij niet een manier om haar te helpen?”

“Nee, elfje, ik heb geen verstand van tovenaars en toverkunsten. Morgen als de zon opkomt, moet je maar naar de bosvijver vliegen. Daar zit kabouter Otje verscholen tussen het riet om zijn neus te wassen en de slaap uit zijn ogen te wrijven. Misschien weet hij wat je voor de arme muizenkoningin doen kunt.” Opnieuw schuift een wolk voor de maan en het wordt heel donker in het bos. “Wat ben ik moe,” denkt het elfje en zij strijkt haar vleugels glad om op een stukje groen mos te gaan liggen. Even later valt zij in slaap.

 

Jan wordt wakker

De volgende ochtend wordt Jan gewekt door de stralen van een mild lentezonnetje. Hij denkt direct aan muis Langstaart. Zou die nog op tijd geweest zijn voor zijn eigen bruiloft? Vast wel. Flapoortje zou wel enig geduld met haar aanstaande gehad hebben.

Jan kijkt naast zich. Het bed is leeg. Blijkbaar is Rieka al in de keuken bezig thee te zetten. Jan besluit ook op te staan en stommelt langs de krakende treden van de trap naar beneden.

Het eerste dat hem in de woonkamer opvalt is het ontbreken van de tovenaar en het elfje. “Verroest,” denkt Jan, “waar zijn die gebleven? Alleen hun speelhouten hangen er nog.” Dan ziet hij dat bovenop de kast het potje toverpoeder omver is gevallen. “Nee, maar, wat is hier allemaal gebeurd?”

“Rieka,” roept hij.

“Wat is er, Jan?”

“Ik geloof mijn eigen ogen niet. Twee marionetten zijn er vandoor gegaan. Weet jij daar iets van?”

Rieka verschijnt in de woonkamer. Het valt haar nu pas op dat er wat in de kamer v eranderd is. “Jij ook met je marionetten, nu hebben ze de benen genomen!”, zegt ze.

“Ja, maar dat kan toch niet, het zijn toch marionetten?” “Misschien zijn ze door het raam verdwenen,” oppert Rieka, “kijk maar, het staat open, terwijl ik gisteravond toch alles dicht heb gedaan. Zou er een dief binnen zijn geweest? Ik heb niets gehoord. Maar jij bent eruit geweest voor die muis.”

“Toen heb ik het raam niet aangeraakt. Ik heb me wel flink gestoten aan de kast,” antwoordt Jan.

Hij pakt het omgevallen potje toverpoeder en bekijkt de overgebleven inhoud aandachtig. “Misschien is dit poeder toch sterker dan ik dacht.”

“Waar is het dan van gemaakt?” vraagt Rieka.

“Geen idee. Ik heb dit potje van kabouter Otje gekregen. Hij drukte mij op het hart maar een klein snufje te gebruiken bij het begin van een voorstelling. Dan zou het spel geheel vanzelf gaan. En aan het slot van de voorstelling moest ik dan in mijn vingers knippen en met luide stem verkondigen:

Weg zijn de elfen en de spoken,

De betovering is weer verbroken.

De werkelijkheid neemt ons weer in bezit,

Mij en ook u die rustig op uw stoelen zit.”

Het potje van kabouter Otje II