Een kosmos zonder goddelijk doel

In mijn vorige artikel besprak ik de val van spiegelsymmetrie in de natuurkunde en de reactie hierop in de dromen van theoretisch fysicus Wolfgang Pauli. Veel theoretisch fysici zoeken nog steeds naar een kosmische code of theorie van alles met een hoge graad aan symmetrie. Maar waarom zou je in weerwil van een asymmetrische werkelijkheid naar herstel van symmetrie willen streven? Opmerkelijk is het boek ‘Een scheurtje in de rand van de schepping’ van de natuurkundige Marcelo Gleiser. Gleiser gaat door eenzelfde proces heen als Pauli. Maar omdat hij niet bekend is met het verschijnsel synchroniciteit en ook niets met het bovennatuurlijke te maken wil hebben, houdt hij uiteindelijk wel een radicale, maar geen hoopgevende visie op leven in de kosmos over.

 

Gleiser gelooft eerst in een of andere perfecte symmetrische ordening achter de wereld der verschijnselen en komt dan geleidelijk aan tot de ontdekking dat de theorieën die deze ordening beschrijven nauwelijks door experimentele waarnemingen ondersteund worden. Hij begint te vermoeden dat een deel van de natuurkundige wereld een waanbeeld nastreeft en dat er mogelijk helemaal geen platonische kosmische orde achter de dingen schuilgaat. Meer en meer begint hij dan in te zien dat het beslissende bij de ontwikkeling van het heelal en van het leven asymmetrie is. Als materie en antimaterie in even grote hoeveelheden bij de oerknal geproduceerd zouden zijn, hadden zij elkaar kunnen annihileren tot zuiver licht. Er zou alleen maar licht in de kosmos zijn, geen materie.

 

Kortom asymmetrie is erg belangrijk. Vandaar dat Gleiser op zoek is geweest naar de betekenis hiervan voor de plaats van het menselijk leven in de natuur. Dan raakt hij vanzelf verzeild in de darwinistische visie op de evolutie van het leven. Gleiser kent het werk van Pauli en Jung niet en wil vermijden dat hij nieuwe religieuze denkbeelden van stal haalt. Zo schrijft hij: ‘De kern van mijn betoog komt erop neer dat er geen ultieme waarheid te ontdekken valt en dat er geen verheven plan achter de schepping steekt.’

 

 

In feite verschilt Gleiser hierin niet zoveel van het standpunt van Carl Gustav Jung. Deze was sterk onder de indruk van de schijnbare doelloosheid van de kosmos. Jung was niet opgegroeid met het unificatiestreven van de natuurkunde, maar wel kende hij de christelijke visie dat de wereld door God met een bedoeling geschapen was. Jung had er moeite mee om de schepping alleen aan de Schepper toe te schrijven, omdat die opvatting naar zijn idee het menselijk bestaan zou beroven van een functie in het geheel. Wanneer hij in Kenya de Athi Plains bezoekt, ziet hij de wereld zoals die altijd geweest was in de toestand van niet-zijn, een wereld zonder een waarnemer die zich bewust is van de wereld. In Herinneringen, dromen, gedachten meent hij:

 

‘De mens, ik, gaf de wereld in een onzichtbare scheppingsdaad pas haar voltooiing, het objectieve zijn. Men heeft deze daad aan de Schepper toegeschreven en er niet aan gedacht dat we daarmee het leven en het zijn als een geprogrammeerde machine beschouwen die, inclusief de menselijke psyche, zinloos volgens van tevoren bekende en vastgestelde regels voortloopt. In een dergelijke troosteloze uurwerkfantasie bestaat er geen drama van mens, wereld en God, geen “nieuwe dag” die naar “nieuwe kusten” voert, maar enkel en alleen de saaie leegte van tevoren berekende processen.’

 

Hiermee hangt de opvatting van Jung samen dat God minder zelfbewustzijn heeft dan de mens. Een God die zich bewust is van zichzelf en van zijn schepping zou de mens tot een nodeloos, tweederangs spiegeltje van de scheppingskracht degraderen. De mens is nodig voor de bewustwording van God: ‘De mens is onmisbaar voor de voltooiing van de schepping, ja, hij is de tweede wereldschepper zèlf: eerst hij geeft de wereld het objectieve zijn. Zonder dat zou ze zonder gehoord of gezien te zijn, geluidloos grazend, barend, stervend en kopknikkend honderden miljoenen jaren zijn voortgegaan in de allerdiepste nacht van het niet-zijn, op weg naar een onbestemd einde. Pas het menselijk bewustzijn heeft objectief ‘zijn’ en zinvolheid geschapen, en daardoor heeft de mens zijn onvervangbare plaats in het grote zijnsproces gevonden.’

 

Jung is tegelijkertijd van mening dat de mens niet alleen ordening maar ook zin kan vaststellen. Daarvoor is wel reflectie nodig. In een brief aan zijn leerling Erich Neumann schrijft hij op 10 maart 1959: ‘Het begrip “ordening” (in de schepping) is niet identiek met dat van de “zin”. Ook een organisch wezen is ondanks zijn in zichzelf zinvolle ordening niet noodzakelijkerwijs zinvol in de samenhang van het geheel… Zonder het reflecterend bewustzijn van de mensen is de wereld van een gigantische zinloosheid, want de mens is volgens onze ervaring het enige wezen dat “zin” kan vaststellen.’

 

Anders dan Gleiser gaat Jung ervan uit dat leven niet puur toevallig tot stand is gekomen. Er moet latent een zin aanwezig zijn geweest in de evolutie van het leven. Een latente zin is nodig ‘niet alleen om de synchronistische fenomenen te verklaren, maar ook de hogere synthesen [in de biologische evolutie]. Zinvolheid schijnt altijd aanvankelijk onbewust te zijn en kan daarom alleen achteraf ontdekt worden; daarom bestaat altijd het gevaar dat er een zin gelegd wordt in iets, waar geen zin bestaat. We hebben de synchronistische ervaringen nodig om de hypothese van een latente zin, die onafhankelijk is van het bewustzijn, te kunnen funderen. Aangezien een schepping zonder het reflecterende bewustzijn van de mensen geen kenbare zin heeft, wordt de mens met de hypothese van een latente zin een kosmogonische betekenis toegedacht, een waarachtige raison d’être.’

 

We kunnen deze filosofie van Jung ook toepassen op de ervaringen van Pauli. De vreemdeling uit de dromen van Pauli ziet synchroniciteit als een uiting van radioactiviteit. Radioactieve processen kennen een asymmetrie in de tijd. Ze kennen een voorkeursrichting. En een dergelijke richting in de tijd zit ook besloten in Jungs opvatting van synchroniciteit. Eerst is de zin latent aanwezig, maar onbewust. Door de ervaring van het synchronistische verschijnsel wordt de zin bewust. Het gaat om bewustwording van zin. Er is daarmee inderdaad een zekere analogie met een radioactief proces aanwezig, omdat synchronistische gebeurtenissen pas dan optreden wanneer een archetypische inhoud in het onbewuste hoogexplosief (d.w.z. radioactief) is geworden, omdat het bewustzijn geen uitweg meer ziet uit een levenssituatie of voor een bepaald probleem geen oplossing meer ziet. Marie-Louise von Franz merkt daarover in Spiegelungen der Seele op:

 

‘Bij de projectie [van onbewuste inhouden] naar buiten is het ongestoorde terugstromen naar binnen toe van het ik naar het Zelf, d.w.z. re-flectie geblokkeerd, bij de synchronistische gebeurtenis is het stromen van energie van het Zelf naar het ik, resp. het dagbewustzijn gehinderd, d.w.z. een “realisatie” wordt geblokkeerd. Bij de projectie beweegt de psychische energie terug naar het onbewuste van het subject; bij het synchronistische verschijnsel stroomt zij van het onbewuste weg naar het ik toe om het tot een scheppende ontdekking te leiden. Daarom noemt Jung de synchronistische gebeurtenissen ook scheppingsdaden in de tijd. Zij tonen aan dat degene die de gebeurtenis beleeft iets dient te realiseren van wat in het onbewuste is geconstelleerd, zij het een nieuw idee of een heilzaam inzicht.’

 

 

Marcelo Gleiser, Dartmouth College in New Hampshire (VS).

 

De wereld van synchroniciteit staat ver af van de visie die Gleiser op de kosmos heeft ontwikkeld. De vreemdeling is bij Pauli de goddelijke boodschapper die hem via synchronistische gebeurtenissen naar de realisatie van zijn eigen levensmythe wil brengen. Ook dringt de vreemdeling er bij Pauli op aan dat synchroniciteit aan de universiteit zelf serieus genomen dient te worden. Aan de visie van Gleiser kunnen we zien wat er gebeurt als een wetenschap als de natuurkunde niet meer met een scheppende oergrond verbonden is. Zo schrijft hij: ‘Ik verwijder “de geest van God” uit de wetenschap. Wij hebben geen goddelijk doel nodig om onze zoektocht naar kennis te rechtvaardigen. Er is niets mis met de wetenschap, ook als ze voor eeuwig onvolledig is.’

 

Na zijn teleurstellende ervaringen waarschuwt Gleiser er ook voor om aan de kosmos een bedoeling toe te schrijven: ‘We zijn gevoelige typen in een keiharde kosmos. De ergste fout die we kunnen maken is te denken dat de kosmos iets met ons van plan is, dat we vanuit een kosmisch perspectief speciaal zijn. We zijn inderdaad speciaal, maar niet omdat de kosmos iets met ons voorheeft of het leven op handen draagt. De kosmos geeft helemaal niets om ons.’

 

Dit staat in schrille contrast met de ervaring van synchroniciteit. Von Franz noemt een synchronistische gebeurtenis een boodschap van de oergrond aan de enkeling. Maar Gleiser koppelt zijn visie op de mens aan de wijze waarop volgens de natuurwetenschap het menselijk leven is ontstaan. En dan blijkt het iets bijzonders te zijn in een verder vijandig heelal: ‘We hebben te lang verlangd naar de harmonieën; we hebben te hevig gehunkerd naar kosmisch gezelschap – goddelijk of buitenaards. We moeten accepteren dat we alleen zijn in de kosmos, zo niet in absolute zin – omdat we er nooit zeker van kunnen zijn wat er zich buiten het bereik van onze instrumenten bevindt – dan wel in praktisch opzicht. Dit maakt ons inderdaad heel speciaal. En het creëert een nieuw doel voor de mensheid.’

 

Dit doel is voor Gleiser het zorg dragen voor het leven op aarde. In de Volkskrant van 27 november 2010 vertelt hij aan Govert Schilling dat zijn boek voor het heden, voor onze generatie bedoeld is: ‘Ik wil de mens van nu weer een plaats en een verantwoordelijkheid geven in het grotere geheel. Als beschermer van het leven in een vijandig heelal.’ Omdat leven zo zeldzaam en uniek is, zou het inderdaad wel heel cru zijn als de mens, die ooit de kroon van de schepping werd genoemd, het leven in gevaar zou brengen door veronachtzaming van het broze evenwicht in de natuur en uit hebzucht naar materiële goederen. Gleiser besluit zijn boek met de opmerking: ‘We mogen de toekomst van onze kinderen niet op het spel zetten. Ik heb er vier en hoop ze eens door mijn tuin te zien drentelen met een vergrootglas in de hand, in sprookjesachtige vervoering vanwege de paradijselijkheid van het leven.’

 

Herbert van Erkelens © 2011

 

Dit artikel is een vervolg op:

De val van spiegelsymmetrie

 

Carl Gustav Jung, Herinneringen, dromen, gedachten, derde druk, Lemniscaat, 1985.

 

Marcelo Gleiser, Een scheurtje in de rand van de schepping. Over de betekenis van leven in een onvolmaakt heelal, Paradigma, 2010.