De vreemdeling en het net van Indra

Uit de briefwisseling tussen Pauli en Jung blijkt dat er een kracht of een energetisch veld in ons en om ons heen bestaat dat voor synchronistische verschijnselen verantwoordelijk is. ‘De licht-donkere vreemdeling’ personifieert dit veld. In een droom van pauli uit november 1948 komt de vreemdeling met donkere haren en een door licht omhuld gezicht uit het kolkende water van de Rijn te voorschijn. Eerder heeft een man uit Perzië al in een droom aan Pauli uitgelegd dat de taal van de kwantumfysica ongeschikt is dit krachtenveld waar materie, energie en bewustzijn samenkomen te beschrijven. Pauli ziet een parallel tussen de vreemdeling en de tovenaar Merlijn en bekent aan Jungs secretaresse Aniela Jaffé dat het verlossen van Merlijn uit de vergetelheid de mythe van zijn leven is. Ook Maureen Roberts uit Adelaide leeft met de graalmythe. Maar zij kijkt uit naar een vrouwelijke, op lunair bewustzijn gebaseerde ervaring van de diepere verbondenheid in de kosmos.

 

Op 6 oktober 1949 krijgt Pauli een karakteristieke droom waarin de vreemdeling voorkomt: ‘Ik bevind mij met collega’s op de bovenste verdieping van een huis waar een regionale conferentie op het gebied van wis- en natuurkunde plaatsvindt. Daar zie ik onder mijn naam een kookcursus aangekondigd: “Aanvang 15 december.” Verwonderd vraag ik aan een jongeman, die naast de aan­kondiging staat, waarom de cursus zo laat begint. Daarop antwoordt hij: “Omdat dan de Nobelprijs verleend wordt.”

 

Nu merk ik dat in de belendende ruimte een brand is uitge­bro­ken. Ik schrik (affect), loop een trap af naar bene­den, via vele etages (voortrennend, angst). Tenslot­te lukt het mij om buiten te komen. Terugblikkend zie ik dat de twee etages van het huis waar de collega’s waren volkomen zijn afgebrand. Buiten op de begane grond ga ik voorwaarts en kom nu in een garage terecht. Ik zie dat een taxi op mij wacht en dat de chauffeur de tank met benzine vult. Als ik beter naar hem kijk, herken ik “hem”, de licht-donkere “vreemdeling.” Dade­lijk voel ik mij geborgen. “Waarschijnlijk heeft hij het vuur aange­stoken,” denk ik zonder het hardop te zeggen. Hij spreekt rustig tot mij: “Nu gaat het tanken goed, omdat boven het vuur was. Ik zal u daarheen brengen waar u thuishoort!” Dan rijd ik met hem weg.’

 

 

 

 

De waarnemer, olieverfschilderij van Peter Birkhäuser.

 

Pauli merkt een jaar later tegenover Emma Jung, de echtgenote van Carl Gustav Jung, op dat de vreemdeling vergelijkbaar is met de tovenaar Merlijn uit de graallegenden. Een licht-donkere vorm van Merlijn verschijnt in La Roman de l’Estoire dou Graal van Robert de Boron. Emma Jung heeft in haar voordrachten uit 1944 voor de Psychologische Club Zürich gewezen op de dubbele aard van deze Merlijn-figuur. Hij zou “half christelijk-menselijk”, “half duivels-heidens” zijn. Bovendien benadrukte zij diens behoefte aan verlossing. In november 1950 schrijft Pauli aan Emma Jung:

 

‘Ook mijn droomfiguur kent twee lagen. Enerzijds is hij een geestelijke lichtgestalte met superieur weten, anderzijds een chthonische natuurgeest. Maar dat weten voert hem weer naar de natuur terug en zijn chthonische oorsprong is ook de bron van zijn weten, zodat tenslotte beide gestalten twee aspecten van dezelfde “persoonlijkheid” bleken te zijn. Hij is de wegbereider van de viereenheid die hem steeds volgt. Zijn handelingen zijn steeds doorslaggevend en zijn woorden definitief, hoewel vaak onbegrijpelijk. Vrouwen en kinderen volgen hem graag  en hij probeert vaak hen te onderwijzen. Hij beschouwt om zo te zeggen zijn hele omgeving (in het bijzonder mij) als volkomen onwetend en onderontwikkeld vergeleken met hem zelf. De oude geschriften over magie wijst hij niet af, houdt ze echter voor een populair voorstadium voor onontwikkelde lieden (bijvoorbeeld voor mij).

           

Maar nu komt het eigenlijk merkwaardige, namelijk de analogie met de “Antichrist.” Hij is geen Antichrist, maar wel in zekere zin een ‘anti-scientist’, waarbij onder ‘science’ hier speci­aal de natuurwe­tenschappe­lijke beschouwingswijze verstaan moet worden, in het bijzonder die beschouwingswijze die tegenwoordig aan hogescholen en universiteiten gedoceerd wordt. Deze [in­stituten] ondergaat hij als een soort Zwinguri [een kasteel van de Habsburgers], als de plek en het symbool van zijn onderdrukking. Hij sticht (in mijn dro­men) soms brand in hen. Wordt er te weinig acht op hem gesla­gen, dan maakt hij zich met alle middelen kenbaar, bij­voor­beeld door synchronis­tische verschijnselen (die hij ‘radi­oac­tiviteit’ noemt) of door depressieve toestanden of onbe­grijpe­lijke affecten.’

           

Tenslotte merkt Pauli op dat de relatie van de vreemdeling tot de natuurwetenschap in laatste instantie niet destructief is, net zomin als de relatie van Merlijn tot het christendom: ‘Hij benut volstrekt de begrippen van de huidige wetenschap, zowel van de fysica (radioactiviteit, spin) als ook van de wiskunde (priemgetallen), hij doet dit echter op een onconventionele wijze. In zoverre hij in laatste instantie begrepen wil worden, maar in onze cultuur nog geen plaats gevonden heeft, heeft hij behoefte aan verlossing net zoals Merlijn. Het schijnt mij toe dat voor hem de “vreugdevuren” van de verlossing pas zullen branden in een cultuurvorm die een geldige uitdrukking vormt van de viereenheid.’

 

De in vieren gedeelde cirkel vormt volgens Jung een symbool van het Zelf, van het innerlijk godsbeeld dat in tegenstelling tot de christelijke dogmatiek ook een gevaarlijke keerzijde kent. Daarom is Pauli ook enigszins beducht voor de vreemdeling. In zijn actieve imaginatie de Pianoles meent hij: ‘Hij wil bij mij aan het daglicht treden, tot iedere prijs! Ik geef toe dat ik hem vaak eng vind en ik ben tegenover hem angstig en voorzichtig. Hij is niet alleen goed, maar kan ook kwaad en gevaarlijk zijn. Dat is hij echter juist dan het meest wanneer je probeert hem te negeren, zoals de hoofdman uit Wenen gedaan heeft. Zodoende ben ik enerzijds angstig, ander­zijds fascineert hij mij. Ik kan hem niet meer loslaten, zoals hij mij niet.’

 

 

 

Verbeelding van het net van Indra. Copyright © Gail Atkins

 

De vreemdeling wil uitdrukkelijk toegelaten worden tot de Eidgenössische Technische Hochschule waar Pauli de leerstoel voor theoretische fysica bekleedt. We kunnen hieruit concluderen dat het krachtenveld dat voor synchroniciteit verantwoordelijk is van belang is voor de natuurkunde. Maar de taal om dit veld te beschrijven is niet zonder meer die van de natuurkunde. Het Pauli-effect waarbij experimentele apparatuur spontaan uit elkaar knalde in de buurt van Pauli doet trouwens denken aan de verschijnselen die zich rond Adam, de jongeman met de ‘magic touch’, afspeelden. Hij is spiritueel genezer en had tijdens zijn schooltijd een vreemde invloed op de fysische wereld om hem heen:

 

‘Er overkwamen mij altijd vreemde dingen. Vaak vlogen er voorwerpen door de kamer op het moment dat ik ze wilde aanraken of oprapen. Soms nam de pen waarmee ik zat te schrijven zelf het heft in handen en vloog door de kamer. Dit gebeurde op school en ik vermoed dat iedereen dacht dat ik hem zelf had gegooid. Ik liet het maar zo. Dat was gemakkelijker dan hun te vertellen dat de pennen uit zichzelf waren weggevlogen. Ik wist niet waarom en hoe dit gebeurde. Ik leerde ermee te leven.’

 

Later leerde Adam de natuurkundige Edward Mitchell kennen, de astronaut die dertig jaar terug het Institute Of Noetic Science heeft opgericht dat in Het verloren symbool van Dan Brown een sleutelrol speelt. Nu spreekt Adam in termen van kwantumhologrammen en kwantuminformatie, maar hij heeft het ook over het met juwelen getooide net van Indra uit het hindoeïsme. Onderlinge verbondenheid vormt de essentie van dit net: ‘Er loopt een eindeloos net van draden door het universum. De horizontale draden lopen door de ruimte, de verticale door de tijd. Bij elk kruispunt van draden staat een mens. En ieder mens is een kristallen kraal. Het grote licht van het Absolute Zijn verlicht en doordringt ieder kristallen wezen. En ieder kristallen wezen weerkaatst niet alleen het licht van elk ander kristal in het net, maar ook iedere weerkaatsing van iedere weerkaatsing door het hele universum heen.’

 

Misschien is het net van Indra de nieuwe mythe die de wetenschap verder kan helpen. Maureen Roberts, een Keltische sjamane uit Adelaide, had in 1997 naar aanleiding van het tragische overlijden van Lady Diana drie indringende dromen waarin zij de prinses van Wales als het ware hielp de overgang naar de andere zijde te maken. In de vierde droom kwam prins Harry, de jongste zoon van Diana, voor die in 1984 geboren was en in 1997 rond een jaar of dertien was.

 

Vanuit haar Keltische achtergrond had Maureen sterk de indruk dat het hele leven van Diana een nieuw hoofdstuk vormde van de Arthurmythe: ‘Het lijkt erop dat de oude Arthuriaanse mythe van de graalkoning die gewond is vanwege de ziekte van het land dat tot een woestenij is geworden vervangen wordt door de mythe van een graalkoningin gepersonifieerd door Diana. Terwijl de graalkoning zich in zijn gewonde toestand in zijn kasteel terugtrekt, doet de graalkoningin dat niet. Zij transformeert haar pijn in genezing voor anderen.’

 

Maureen verwijst dan naar Nevelen van Avalon van Marion Zimmer Bradley waarin er een tegenstelling is tussen het heidense, aan de Godin gewijde eiland Avalon en het christelijke Glastonbury, met zijn klooster en kerkklokken: ‘Glastonbury vertegenwoordigt de oppervlakkige bekrompenheid van beredeneerd geloof waarvan de exclusieve mannelijkheid, belichaamd in de autoriteit van het priesterschap en later van de protestantse kerk, het vrouwelijke onbewuste onderdrukt, alsmede de Godin die niet via abstracte dogma’s maar alleen intuïtief gekend kan worden als het archetype van een diepe innerlijke wijsheid, een lunair bewustzijn afgestemd op de natuur en op de ziel.’ 

 

 

 

Lady Diana met tiara.

 

Het lunaire bewustzijn is in de graalmythe gepersonifieerd door de Vrouwe van het Meer, die in de Keltische mythologie een gids uit de andere wereld is en een leermeesteres van Arthur en diens hof. Dit bijzondere facet van de Godin wordt opgeroepen in de laatste van de serie van vier dromen: ‘In de vierde droom had ik de zorg voor prins Harry op mij genomen die nog steeds erg breekbaar aanvoelde, emotioneel kwetsbaar was en verward na het verlies van zijn moeder met wie hij, zoals ik in de droom kon voelen, erg innig verbonden was. In de droom was aan mij de taak gegeven om hem op weg naar school te begeleiden en te beschermen. Terwijl we langs een lange, bochtige weg wandelden, werden we vanaf de kant van de weg aangekeken door een grote menigte mensen, alsof we een soort rituele processie uitvoerden. In mijn hand droeg ik een zilveren tiara waarvan ik wist dat die van prinses Diana was geweest. De tiara was gedeeltelijk gebroken en had de vorm van een wassende maan. In de droom vroeg ik mijzelf af wat ik met het diadeem kon doen – aan wie ik het kon geven of waarheen ik het kon brengen. Want ik wist dat het niet voor mij bestemd was om te dragen of te bezitten. Maar ik kon niemand vinden aan wie ik het kon overhandigen. Hoe meer ik erover mijmerde, hoe meer het mij “juist” scheen dat het niet aan iemand in het bijzonder toebehoorde. Bovendien was het duidelijk niet langer iets om te dragen, maar had het een andere betekenis gekregen.

 

In de droom wachtte ik langs de weg en onderzocht ik de tiara meer van nabij. Het diadeem was geheel gemaakt van kleine diamanten die alle met elkaar verweven waren in een ingewikkeld patroon. Terwijl ik later daarover nadacht zag ik in een trance visioen van dit diamanten maanvormige web de kleine zaadzielen of goddelijke vonken van de talloze mensen op aarde die allen aan de tiara bijdroegen; net zoals in het Hindoe-net van Indra weerspiegelde ieder kleinood in verbondenheid alle andere. Het leek in het visioen dat de zaadzielen embryonale vormen van een verrijzend lunair bewustzijn waren, organisch en holistisch, gesymboliseerd door de sikkelvormige vorm van de tiara. Ik werd herinnerd aan Diana als de Griekse Artemis, tweelingzuster van de solaire logos van Apollo en godin van het maanlicht, die in de droom de dominantie van Eros symboliseerde als het vrouwelijke principe van met elkaar verweven verbondenheid, respect voor het leven en harmonie met de natuur.

 

Ironisch genoeg is het Diana die de rol van de Vrouwe van het Meer heeft overgenomen  nadat zij op een eiland in een meer werd begraven. Daarbij ging zij symbolisch via de dood over naar Avalon, het eiland uit de druïden mythe dat niet van deze wereld is… Als initiator en pleegmoeder schenkt en behoedt de Vrouwe van het Meer een lunaire, intuïtieve wijsheid. Aldus nodigt de vierde droom ons uit deel te nemen aan de incarnatie van deze archetypische Graalkoningin van Avalon, de Vrouwe van het Meer, door aan de herrijzende heerschappij van Eros toe te staan om de Logos te gidsen, te koesteren en te “onderwijzen” en door het goddelijke zielzaadje in ieder van ons te voeden opdat het mag groeien en zichzelf dooreen mag weven met de ontelbare andere diamanten facetten van Diana’s maanvormige web en tiara.

 

God incarneert nog steeds. We gaan nog steeds zwanger van het goddelijke kind, begrepen als nieuw collectief leven en een nieuwe visie door de dood van Diana heen. Het wordt nog steeds in ons geboren. De hele “Diana mythe” die nog maar net is begonnen te resoneren in de collectieve psyche zal, zo voorspel ik, dat nog eeuwen blijven doen.’

 

Herbert van Erkelens © 2011

 

Dit artikel is een vervolg op:

Een kosmos zonder goddelijk doel

 

Literatuur:

 

Adam, De jongen met de magic touch. Het verhaal van een universele genezer, Ankh-Hermes, 2006.

 

Herbert van Erkelens, Wolfgang Pauli und der Geist der Materie, Königshausen & Neumann, 2002.

 

C.A. Meier (ed.), Atom and Archetype. The Pauli/Jung Letters 1932-1958, Princeton University Press, 2001.

 

Maureen Roberts over het overlijden van Lady Diana:

 

Jung Circle: Deathwalking with Diana