De oversteek naar veiligheid van Victor Mansfield: fysicus en mysticus

Ruim zeventien jaar terug (inmiddels 24 jaar geleden) was Victor Mansfield bij de IKON in beeld als natuurkundige die met de Jungiaanse psychologie in dialoog was. Daarna heeft hij prachtige boeken geschreven over natuurkunde, synchroniciteit en mystiek. Mansfield was als professor voor natuur- en sterrenkunde verbonden aan Colgate University in de staat New York. Hij had een diepe verbinding met het Tibetaans Boeddhisme. Vlak voordat hij aan kanker stierf, kon hij zijn boek over Tibetaans Boeddhisme en moderne fysica aan de Dalai Lama overhandigen tijdens diens bezoek aan Colgate. Het was een laatste hoogtepunt in zijn leven.

<br /> In november 1991 zond de IKON een documentaire uit over theoretisch fysicus Wolfgang Paul. IKON-regis­seur Philip Engelen had voor deze documen­taire in de serie <em>Passions of the Soul</em> dieptepsy­chologe Marie-Louise von Franz bereid gevonden enig licht op de ziele­roer­selen van Nobelprijswinnaar Pauli te werpen. Zij was jarenlang de naaste mede­werkster van Carl Gustav Jung geweest. In het IKON-inter­view vertelde zij open­hartig over haar vroege­re relatie met Pauli. Beiden hadden een aantal jaren met elkaar samenge­werkt om de kloof tussen natuurkunde en dieptepsychologie te over­bruggen. Maar het kwam tot een breuk tussen beiden en Von Franz ver­volgde haar weg alleen verder.

Inter­viewer Hein Stufkens vroeg haar daarop op welke wijze zij dacht dat hun werk voort­gezet kon worden. Zij ant­woordde: ‘Ik ken de jongeren niet die het werk zouden moeten voortzetten. Het zou mij hoopvol stem­men hen te kennen. Ze moeten er zijn, maar ik weet niet waar. Ik denk echter dat de grote doorbraak al door Jung is verricht, toen hij het concept van synchroniciteit bedacht. Het werk dat nog moet gebeuren is om het idee nader uit te werken. Synchroniciteit is als een flits van intuïtie. Maar nu zouden we de gedachte­gang van Jung in detail moeten uitwerken. We zouden het empi­risch moeten onderzoeken en dit zou een heleboel mensen met een helde­re geest kunnen bezighouden.’

Victor Mansfield (1941-2008)

Victor Mansfield, sinds 1973 hoogleraar natuur- en sterrenkunde aan de Colgate University in het Amerikaanse Hamilton, had als geïnterviewde aan de documen­taire over Pauli meege­werkt. Hij werd bijzonder getroffen door deze uitspraak van Von Franz en besloot het werk van Pauli en Von Franz voort te zetten. In korte tijd schreef hij het veel geprezen Synchronicity, Scien­ce, and Soul-Making. Hierin onderneemt Mansfield een poging om Jungs idee van synchronici­teit te bevrijden van enige misvattingen waartoe Jung zelf aanleiding heeft gegeven.

Strikt genomen is synchroniciteit het principe van zinvol­ toeval. Het gaat daarbij om de gelijktij­digheid van een innerlijke toestand en een uiterlijke gebeur­tenis die zinvol met elkaar in verband staan. Precieser geformuleerd gaat het volgens Jung om de gelijktij­digheid van twee psychi­sche toestanden waarvan de ene toestand de normale is en de andere de kritie­ke. Die normale toestand heeft doorgaans betrekking op de observatie van een of meerdere uiterlijke gebeurtenissen. Door de kri­tieke belevenis wordt van deze gebeurtenissen ineens de diepere zin open­baar.

In Synchronicity, Science and Soul-Making vertelt Mansfield enige voorbeelden van synchroniciteit uit zijn eigen vriendenkring. Alle voorbeelden zijn anoniem, maar inmiddels is het bekend dat het volgende voor­beeld van hemzelf afkomstig is. Mansfield beschrijft dat hij kort na de geboorte van zijn eerste zoon twee keer een iden­tieke droom over zijn vader kreeg. Zijn vader was alcoholicus en had zijn moeder in de steek gelaten, toen hij zelf nog maar drie maanden oud was. Mansfield had zijn vader maar twee keer in zijn leven gezien en hij koesterde voornamelijk bittere gevoelens tegenover hem. In de twee dromen leek zijn vader zichzelf te willen rechtvaardigen: ‘Hij vertelde mij dat hij een gevoelig, dichterlijk mens was die het onmoge­lijk vond om met mijn koppige, agressieve moeder samen te leven. Hij be­weerde dat het niet zijn fout was dat hij het huis verlaten had.’

De dag volgend op de tweede droom ging de telefoon. Het was de broer van zijn vader. Deze deelde hem mee dat zijn vader op sterven lag in een ziekenhuis te Washington en dat hij hem zou moeten opzoeken. Vol wrok en woede antwoordde Mans­field: ‘Zou hij mij komen opzoeken als ik op sterven lag?’ En hing op. Maar het telefoontje liet hem niet los. De hele dag werd hij heen en weer geslingerd tussen verbittering en verdriet. Ook werd hij geplaagd door het idee naar zijn vader te reizen om hem trots te vertellen dat hij grootvader was gewor­den.

Door innerlijke twijfel gedreven besloot Mansfield via de muntenmethode de I Tjing te raadple­gen, een oud Chinees orakelboek dat door de sinoloog Richard Wil­helm voor een westers publiek toeganke­lijk was gemaakt. Zes keer wierp hij drie munten in de lucht en ver­kreeg aan de hand van het resultaat het Chinese teken dat door Wil­helm als ‘Het Verzamelen’ omschre­ven is, met als bijzondere opmer­king: ‘De familie verzamelt zich om de vader als haar hoofd.’

Mansfield was met stomheid geslagen. Het teken uit de I Tjing plus de boodschap van de twee dromen deden hem besluiten om met zijn jonge gezin naar Washington te rijden. Op de intensive care afdeling trof hij een man die hem volslagen onbekend was, maar toch zijn vader bleek te zijn: ‘Ik voelde zijn lijden en merkte dat mijn verbitte­ring en zelfbeklag oploste in het verdriet om ons allen, om het gezin dat er niet had mogen zijn. Met tranen in mijn ogen zei ik hem vaarwel en zag hem niet meer terug, aangezien hij een paar dagen later stierf. Sindsdien koester ik geen bitterheid en woede meer ten opzich­te van hem. Toch doen die oude wonden nog steeds een beet­je pijn.’

Het is duidelijk dat deze belevenissen in een zinvol verband tot elkaar staan. De geboorte van zijn zoon en het sterven van zijn vader lijken vanuit het onbewuste een reactie te hebben opge­roepen. Het was tijd voor Mansfield om een stap voor­waarts te zetten, om niet langer in wrok te blijven hangen. Het bijzon­dere daarbij is dat deze boodschap langs verschil­lende wegen tot hem kwam, via zijn dromen, maar ook via de I Tjing:

‘De ervaring deed mij afvragen wat mijn rela­tie tot de wereld was. Wat in mij “wist” dat mijn vader op ster­ven lag? Welke instantie wist dat de bitterheid die zich in mij had vastgezet via die bui­tengewone dromen over mijn vader verzacht diende te worden? Hoe kunnen munten die lukraak in de lucht gegooid worden zich beteke­nisvol verbinden met mijn psychologische toestand? Ik heb alleen ten dele antwoorden op deze vragen. De vragen blijven mij bezig houden. Later, toen ik mijn meditatieleraar Anthony Damiani sprak, zei deze: “Tenzij we leren anderen te vergeven, zullen we nooit onszelf vergeven.” Mis­schien is dat de beste lering die ik kan trekken.’

Hoe gaan wetenschappers met zulke ervaringen om? Jung wachtte veertig jaar, voordat hij zijn ideeën over synchroniciteit publiceerde. De theoretisch fysicus Pauli, met wie Jung deze ideeën be­sproken had, zweeg er naar buiten toe in alle talen over. Pas uit zijn schriftelijke nalatenschap bleek dat hij diep over synchroniciteit had nagedacht en tot de conclusie gekomen was dat er een element van doelgerichtheid in de natuur aanwezig was. Het probleem is ook niet om met synchroniciteit te leven, maar om het verschijnsel een plaats te geven in ons wetenschappelijk beeld van de wereld. Ook Victor Mans­field geeft toe dat het hem niet gemakkelijk afgaat om zijn innerlijke ervaringen met zijn werk als sterrenkundige te verbinden. In mei 2000 was hij op uitnodiging van astrologe Karen Hamaker-Zondag in Nederland. In een restaurant dat over Amsterdam uitkeek legde hij mij bij die gelegenheid uit wat hem de laat­ste jaren had beziggehou­den:

‘Er zijn altijd twee kanten in mij aanwezig geweest, de harde kant als na­tuurkundige, wetenschapper, materia­list en rationalist en de meer religieus ingestelde, mystieke, ontvankelij­ke kant. Sinds een jaar of tien probeer ik met beide kanten te leven. Het boek Synchronicity, Science, and Soul-Making vormt een antwoord op die persoonlijke noodzaak. Als kind was ik erg religieus. Ik werd door mijn moeder katholiek opgevoed. Later verliet ik de kerk en aanvaardde ik het wetenschappelijk beeld van de wereld, waarin ieder mens een eiland op zichzelf is en tegenover een wereld staat die door onpersoonlijke wetten geregeerd wordt. Dat wetenschappelijk beeld voldoet mij niet meer. In mijn volgende boek, Head and Heart geheten, leg ik in persoonlijke termen uit waarom. Ik beken dan ook de mystieke ervaringen die ik heb onderweg naar de telescoop waarmee ik de metingen verricht die voor mijn onderzoek nodig zijn.

Die mystieke ervaringen zijn zeer bescheiden. Het gaat niet om zo’n ervaring als Paulus bij Damascus had. Maar ze zijn toch voldoende prominent dat ik het probleem van de relatie van natuurkunde en mystiek niet kan laten rusten. Ik ben steeds bezig om die twee kanten aan mijzelf met elkaar te verweven. En ik geloof dat die bezigheid enige relevantie voor een breder publiek heeft. Het gaat niet enkel om mijn innerlijke genezing.’

Hoe zijn de fysicus en de mysticus in u met elkaar in gesprek?  ‘Laat ik een voorbeeld geven. In maart 1999 bezocht ik de plaats Phoenix in Arizona om een lezing te geven over de ziel. Ik had haast en ik probeerde een zesbaansweg over te steken om een restaurant te bereiken. Ik dacht dat ik zonder gevaar de middenberm kon bereiken. Het verkeer op de dichtstbijzijnde twee rijbanen stond stil. Toen ik de derde rijbaan overstak, werd ik onver­wachts geraakt door een sport­auto. Ik vloog een eind door de lucht en kwam met een smak neer op de straat. Die klap ontwrichtte mijn linker schouder. Later heb ik aan de hand van het spoor van gebroken glas uitgerekend dat de auto ongeveer 70 km per uur gereden had. Daarvoor heb ik de klassieke fysica van Newton benut. Dit is ook wat de fysicus in mij over het onge­luk te melden heeft.

Maar nu komen de dieptepsycholoog en de mysticus in mij nog aan bod. Twee meisjes waren getuige van het ongeluk. Ze vlogen op mij af en zeiden: “Bent u in orde? Is er iets wat we voor u kunnen doen?” Ik had bij het oversteken een boek bij mij gehad dat ik in het restaurant had willen inzien. Het lag verderop op straat en ik vroeg aan de meisjes of zij het mij wilden brengen. Daarop kwam de ambulance en werd ik naar het ziekenhuis gebracht. De verpleegsters daar begonnen te zeggen: “Wat heeft u een gek boek bij u, kijkt u eens naar de titel ervan!”

Het boek was geschreven door Wallace Stegner en heette Crossing to Safety. Ik begreep meteen dat de inhoud van het boek mij iets van belang te melden had. Ik begon erin te lezen en stuitte op het gedicht van Robert Frost waaraan de titel van het boek ontleend was. In dat gedicht, getiteld I Could Give All to Time, zegt Frost: “De enige manier waarop we de oversteek naar veiligheid kunnen maken is door ons te verbinden met het ondeelba­re.” Dat trof mij, omdat ik van plan was geweest om in mijn lezing het deel­bare en het ondeelbare aspect van de ziel aan de orde te stellen.

Het deelbare aspect onderzoeken we als we onze dromen analyseren. Dan vragen we ons af wat de ziel ons in ons beperkte, individuele bestaan te vertellen heeft. Het ondeelbare aspect is veel radicaler. Het wil zeggen dat de ziel die ik in mij­zelf ervaar overal ongedeeld aanwezig is, in ieder mens die ik tegenkom, in iedere boom die ik ontwaar, in ieder sterrenstel­sel dat door mijn telescoop zichtbaar wordt.’

En daarin ligt onze redding? ‘Het enige dat we volgens Frost kunnen doen om die geborgenheid te bereiken is om een diepe binding aan te gaan met het ondeel­bare aspect van de ziel. Door het boek en het gedicht be­greep ik dat het ongeluk een syn­chro­nisti­sche ervaring was. Het was niet alleen een botsing tussen een auto en een mense­lijk lichaam. Tege­lijker­tijd was het een schok die mijn hart opende voor het geheel dat niet deelbaar is.

Normaal gesproken had ik nauwelijks enige kans om zo’n bot­sing te overleven. En dan ook nog met zo weinig fysiek letsel. Zodra ik op straat bijkwam, voelde ik twee dingen tegelijkertijd: een enorme schrik en een even groot gevoel van dankbaar­heid dat ik nog steeds mijn rol in het leven kon spelen. In het ziekenhuis had ik vervolgens een reli­gieuze erva­ring die ononderbroken een week lang duurde. Niets kon mij deren. Als mensen mij verteld hadden dat mijn vrouw en mijn kinderen op sterven lagen, zou ik erg verdrietig geweest zijn, maar niet ten diepste geschokt. Jammer genoeg is die mystieke ervaring weer ver­dwenen. Ik heb nu weer verlangens en zorgen. Toen ervoer ik een diepe dankbaarheid zonder enig verlangen van mijn kant.’

Na dat bezoek aan Nederland heb ik Vic Mansfield helaas niet meer gezien of gesproken. Hij was een fijn mens die een warme band met zijn studenten had en veel onderwerpen uit de natuurkunde, astrologie, dieptepsychologie en het Tibetaans Boeddhisme goed kon uitleggen. Tijdens de laatste twee jaar van zijn leven werkte hij aan zijn boek over de dialoog tussen het Tibetaans Boeddhisme en de moderne fysica. Hij streed toen met lymphoma, een ongeneeslijke vorm van kanker in het lymfestelsel. De Dalai Lama schreef het voorwoord voor dit boek en Vic zag kans om zichzelf met hulp van zijn vrouw en zijn twee zoons lang genoeg in leven te houden om het bezoek van de Dalai Lama aan de Colgate University te kunnen meemaken. Tijdens een bijeenkomst over de overeenkomsten en de conflicten tussen wetenschap en boeddhisme overhandigde Mansfield zijn nieuwe boek aan de Dalai Lama en bedankte hem voor de inspiratie die hij aan velen gaf. Vervolgens nam hij de omhelzing van de Dalai Lama in tranen in ontvangst. Zes weken later overleed hij in vrede, vervuld van dankbaarheid en omringd door een kleine groep mensen die van hem hielden.

Herbert van Erkelens © 2009

De boeken van Vic Mansfield:

Synchronicity, Science and Soul-Making, Open Court, Chicago and La Salle-Illinois, 1995.

Head and Heart. A Personal Exploration of Science and the Sacred, Quest Books, Wheaton (Illinois), 2002.

Tibetan Buddhism and Modern Physics: Toward a Union of Love and Knowledge, Foreword by His Holiness the Dalai Lama, Templeton Foundation Press, 2008.

Zijn website: Vic Mansfield’s pages