Pauli’s zoektocht

INNERLIJK BEELD EN UITERLIJKE GEBEURTENIS

Honderd jaar terug op 25 april werd Wolfgang Pauli geboren. Hij werd wereldberoemd als theoretisch fysicus. Maar hij had ook een mystieke kant. In 1952 publiceerde Carl Gustav Jung in samenspraak met Pauli zijn baanbrekende essay over synchroniciteit. Volgens dit principe kunnen innerlijke beelden zinvol samenvallen met uiterlijke gebeurtenissen. Wat gaat er schuil achter dit zinvolle toeval? De schriftelijke nalatenschap van Pauli geeft het antwoord.

In december 1958 stierf theoretisch fysicus Wolfgang Pauli in een vergevorderd stadium van kanker. Hij was blij om heen te gaan. Want de innerlijke opdracht om naar de eenheid van geest en materie te zoeken was hem te zwaar gevallen.

Na zijn overlijden werd het stil rond Pauli. Dertig jaar lang hield zijn weduwe Franca al het serieuze onderzoek naar de belevingswereld van haar man tegen. Zij wilde dat haar Wolfgang enkel bekend zou blijven als de wereldberoemde fysicus die in december 1945 de Nobelprijs kreeg voor zijn ontdekking van het zogeheten uitsluitingsprincipe van elektronen. Dit principe, dat Pauli aan het eind van 1924 formuleerde, verklaart het periodiek systeem der elementen. Zonder dit principe zou er geen vormenrijkdom in de natuur zijn. Het was niet meer dan terecht dat Pauli aan het eind van de Tweede Wereldoorlog hiervoor de Nobelprijs toegewezen kreeg.

Maar als Franca Pauli haar zin had weten door te drijven, hadden wij niet geweten dat de Nobelprijs voor Pauli eigenlijk op een ongelukkig moment kwam. Hij vertoefde samen met Albert Einstein in het Amerikaanse Princeton. Daar voelde hij zich niet meer thuis, omdat de Amerikanen in augustus 1945 twee atoombommen op Japan hadden gegooid. Hoewel hij zelf niet aan de creatie van die bommen had meegewerkt, had hij wel het gevoel met zijn fysica in een criminele atmosfeer geraakt te zijn. Hij verliet de Verenigde Staten in februari 1946 om terug te keren naar zijn leerstoel voor theoretische fysica aan de ETH.

Maar de fysica in Zürich was dezelfde fysica die in Hiroshima en Nagasaki in twee korte flitsen een half miljoen doden en gewonden had veroorzaakt. Innerlijk werd Pauli op deze nucleaire massamoord aangesproken. In zijn dromen verschenen personificaties van het onbewuste die hem uit de fysica wilden verdrijven.

De Pers

Karakteristiek voor zijn innerlijk conflict is een droom uit december 1947. In deze droom verschijnt een donkere man die toegelaten wil worden tot de ETH. Pauli noemt hem de Pers. Er ontspint zich een woordenwisseling waarin Pauli de vragen stelt:1

‘U wordt niet tot de studie toegelaten?’

‘Nee, daarom studeer ik in het geheim.’

‘Wat bestudeert u?’

‘Ik bestudeer u.’

‘U spreekt op een zeer scherpe toon met mij.’

‘Ik spreek als iemand aan wie verder alles verboden is.’

‘Bent u mijn schaduw?’

‘Ik ben tussen u en het licht, dus bent u mijn schaduw, niet omgekeerd.’

‘Studeert u ook natuurkunde?’

‘Daarin is uw taal mij te moeilijk, maar in mijn taal begrijpt u de natuurkunde niet.’

‘Wat doet u hier?’

‘Ik ben hier om u te helpen.’

De Pers blijkt een boodschapper van het licht te zijn! Hij brengt aan Pauli de boodschap over dat er een andere natuurkunde is die minder ingewikkeld is dan de fysica die aan de universiteiten gedoceerd wordt. De Pers zou graag willen dat Pauli aan deze andere fysica aandacht ging besteden die, zoals later blijkt, op synchroniciteit betrekking heeft.

Synchroniciteit is het principe van zinvol toeval dat door Jung in 1930 geïntroduceerd werd om de werking van de I Tjing, het bekende Chinese orakelboek, te kunnen verklaren. Jung beschouwde synchroniciteit als het westerse equivalent van het Chinese begrip Tao dat letterlijk ‘weg’ of ‘richting’ betekent. De sinoloog Richard Wilhelm had in 1910 Tao met ‘zin’ vertaald. De reden was dat Goethe de hoofdpersoon uit zijn tragedie Faust eenmaal liet opmerken: ‘In den beginne was de zin.’ Maar die betekenis van objectief in de schepping aanwezige zin zou enkel op een verborgen wijze in Jungs opvatting van synchroniciteit een rol spelen. Het uitgangspunt bleef gelijktijdigheid, zoals blijkt uit een van de door Jung gehanteerde definities uit zijn essay uit 1952:

‘Ik heb de term synchroniciteit gekozen omdat de gelijktijdigheid van twee zinvol maar acausaal op elkaar betrokken gebeurtenissen een wezenlijk criterium lijkt… Zo betekent synchroniciteit in de eerste plaats de gelijktijdigheid van een zekere psychische toestand met een of meer uiterlijke gebeurtenissen die zich voordoen als zinvolle parallellen van de dan bestaande subjectieve toestand en – eventueel – ook vice versa.’2

Ten tijde van Pauli’s droom van de Pers heeft Jung deze woorden nog niet geschreven. Hij is bang iets te beweren dat in strijd zou zijn met de moderne fysica. Blijkbaar moet Pauli hem over die angst heen helpen. In november 1948 brengt de fysicus een bezoek aan Jung om over synchroniciteit te spreken. Daarbij zet hij de dieptepsycholoog ertoe aan zijn gedachten over synchroniciteit op papier te zetten. Het onbewuste reageert op deze stap van Pauli met een indrukwekkende droom waarin de donkere Pers in het kolkende water van de Rijn verdwijnt en daar een transformatie ondergaat. Wanneer hij weer te voorschijn komt, is hij door licht omgeven. Pauli noemt de nieuwe gestalte ‘de licht-donkere vreemdeling,’ of kortweg ‘de vreemdeling.’ Het weten dat deze gestalte vertegenwoordigt is hem als fysicus vreemd.

Al snel blijkt de vreemdeling een intieme relatie met Jungs principe van synchroniciteit te onderhouden. Hij openbaart zich in uiterlijke gebeurtenissen die zinvol samenhangen met innerlijke beelden en stemmingen. Hij overbrugt daarmee de strikte scheiding tussen binnen- en buitenwereld die aan de universiteiten wordt gehanteerd. Juist om die reden voelt de vreemdeling zich door de huidige wetenschap miskend. Zo merkt Pauli in oktober 1950 in een brief aan Jungs echtgenote Emma op:

‘[De vreemdeling] is geen Antichrist, maar wel in zekere zin een “anti-scientist”, waarbij onder “science” hier speciaal de natuurwetenschappelijke beschouwingswijze verstaan moet worden, in het bijzonder die beschouwingswijze die tegenwoordig aan hogescholen en universiteiten gedoceerd wordt. Deze [instituten] ondergaat hij als een soort Zwinguri, als de plek en het symbool van zijn onderdrukking. Hij sticht (in mijn dromen) soms brand in hen. Wordt er te weinig acht op hem geslagen, dan maakt hij zich met alle middelen kenbaar, bijvoorbeeld door synchronistische verschijnselen (die hij “radioactiviteit” noemt) of door depressieve toestanden of onbegrijpelijke affecten.’3

Zwinguri is een kasteel in het kanton Uri. Van hieruit probeerde de Habsburgse monarchie de Zwitserse boerenbevolking te overheersen. Pauli gebruikt dit beeld om het bolwerk van het natuurwetenschappelijk denken aan te duiden dat geen ruimte aan de ervaring van zin biedt. Uiteraard gaat het bij dit bolwerk in zekere zin om Pauli zelf. De fysicus Pauli beschouwt zijn innerlijke gesprekspartner als een ongewenste vreemdeling die via synchronistische verschijnselen de aandacht op zich weet te vestigen. De vreemdeling zelf noemt deze verschijnselen ‘radioactiviteit’ alsof er een energierijke bron bestaat die de wonderbaarlijke, zinvolle coïncidenties op zijn geweten heeft. Pauli kent deze verschijnselen vooral uit het zogeheten ‘Pauli-effect.’ Dit effect doet zich voor wanneer de theoretisch fysicus een experimenteel laboratorium betreedt. Dan knalt er doorgaans dure meetapparatuur uit elkaar. De natuurkundige Markus Fierz heeft over dit effect opgemerkt: ‘Pauli zelf heeft aan zijn effect volstrekt geloof gehecht. Hij heeft mij gezegd dat hij het onheil al van te voren als een onaangename spanning bespeurt. Treft het voorvoelde ongeluk dan werkelijk – iemand anders! – dan voelde hij zich merkwaardig bevrijd en opgelucht.’4

De Pianoles

Wie is de vreemdeling? Historisch gezien is hij de geest der materie Mercurius die sinds de teloorgang van de alchemie in de achttiende eeuw aan de universiteit niet meer serieus werd genomen. De wetenschap ontwikkelde een beeld van de kosmos waarin geen plaats was voor een geest in de materie. Volgens de klassieke fysica bestond de materie uit kleine deeltjes die aan onpersoonlijke wetmatigheden gehoorzaamden. Pas in onze eeuw toonde de kwantumfysica aan dat dit beeld helemaal niet klopt. Materie is op het niveau van atomen ook trilling (golf) en het hangt van de experimentele opstelling af of de materie haar golf- dan wel haar deeltjesaspect aan ons toont. Bij deze experimenten is de onderzoeker gedwongen een offer te brengen. Wie het deeltjesaspect van atomen wil waarnemen, offert het trillingsaspect en omgekeerd. Het idee van een objectieve materiële werkelijkheid die onafhankelijk zou zijn van de wijze van waarneming heeft de natuurkunde moeten laten vallen.

Pauli zet nog een stap voorbij de kwantumfysica. In de tijd dat hij door de vreemdeling geplaagd wordt beschouwt hij kwantumfysische experimenten als het mishandelen van de materie. Vanuit restaurant Solitude in Küsnacht schrijft hij aan Jungs secretaresse Aniela Jaffé: ‘Plotseling had ik een merkwaardige gevoelservaring. De daad van meting en waarneming in de kwantumfysica scheen mij een soort zwarte mis toe en ik voelde berouw. Berouw tegenover de materie die mij daarbij als een mishandeld levend wezen voorkwam. Het offer in deze zwarte “metingen-mis” verandert namelijk enkel de toestand van de buitenwereld, niet echter die van de waarnemer.’5

Pauli neemt hier gevoelsmatig afstand van de moderne fysica. Hij heeft inmiddels weet van een betrokkenheid bij de werkelijkheid waarbij ook de onderzoeker een transformatie ondergaat. Dit nieuwe inzicht is bij hem ontstaan, doordat hij tegenover het machtsstreven uit de fysica de liefde ontdekte. In januari 1951 werd hij verliefd op Marie-Louise von Franz, de medewerkster van Jung op het gebied van de alchemie. Deze verdieping van zijn gevoelsleven uit zich ook in zijn droomleven. Er verschijnt een Chinese dame aan hem die boven de tegenstellingen van donker en licht, golf en deeltje staat.

Zij personifieert het Tao dat volgens de I Tjing nu eens het donkere yin, dan weer het lichte yang laat verschijnen. In oktober 1953 gaat Pauli in dialoog met deze vrouwelijke personificatie van het onbewuste. Hij sluit zich af van de buitenwereld en concentreert zich op de beelden die aan zijn geestesoog verschijnen. Plotseling is hij dan een kleine jongen van 13 die in zijn geboorteplaats Wenen pianoles krijgt van de Chinese dame. Op de achtergrond roept de vreemdeling commando’s. Pauli noemt hem nu de meester. Hij heeft hem als zijn innerlijke meester erkend.

Wolfgang Pauli (1900- 1958) ten tijde van het schrijven van de Pianoles.

De innerlijke fantasie die zich dan ontwikkelt heeft Pauli de Pianoles genoemd.6 In het begin van deze Pianoles roept de meester het commando “Hoofdman.” Daar begrijpt Pauli aanvankelijk niets van. Maar de Chinese dame beroert zijn hand en daarop begint hij te spreken met eenvoudige tonen als begeleiding: ‘Hier in Wenen woont een hoofdman, die heeft een zieke dochter, een zieke ziel. Nu nadert de meester het huis van de hoofdman, ik zie het heel duidelijk. Blijkbaar verwacht hij dat de hoofdman de woorden zal spreken.’

‘Welke woorden?’ vraagt de dame verbaasd.

‘De woorden natuurlijk,’ antwoordt Pauli en hardop zegt hij:

‘Heer, ik ben het niet waard dat Gij komt onder mijn dak; maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal gezond worden.’

Opmerkelijk aan dit fragment is dat de meesterfiguur met Christus vergeleken wordt. In het evangelie van Mattheüs komt namelijk een hoofdman in Kapernaüm voor die zich zorgen maakt over een knecht die verlamd in zijn huis ligt en vreselijk pijn lijdt. Christus belooft aan de hoofdman diens knecht te genezen. De man antwoordt daarop met de woorden die Pauli hierboven citeert. Terstond is de knecht genezen.

De hoofdman uit Wenen belichaamt de rationalistisch ingestelde geest van het academische Wenen. Hij heeft een zieke dochter. De meester zou haar kunnen genezen. Maar dit gebeurt niet. Want Pauli constateert: ‘Kapernaüm of Wenen maakt op zich geen verschil, maar de hoofdman in Wenen sprak de woorden niet. En hij had toch alleen hoeven zeggen “mijn dochter” in plaats van “mijn knecht”. Maar de hoofdman uit Wenen zat op een school waar men de woorden begreep, maar niet de zin, daarom kon hij de woorden niet vinden, toen de meester wilde komen. En zo keerde de meester zich om en ik zie hoe hij weggaat.’

Pauli bedoelt met deze school de fysica. In de school van de fysica kent men wel ‘de woorden,’ d.w.z. de formules uit de kwantumfysica, maar niet ‘de zin.’ Fysici richten zich enkel op de uiterlijke kant der dingen zonder de verborgen zin waar te nemen. En daarom zijn zij sprakeloos als zij onverwacht met de meester als personificatie van zin geconfronteerd worden. Zij willen innerlijk niet geraakt worden en de meester kan daarom hun zieke ziel niet bereiken.

Pauli merkt dan verschrikt op: ‘Nu het al zover gekomen was dat de hoofdman in Wenen de woorden niet gesproken heeft en de meester moest omkeren – een geval dat zich honderd, ja duizend keer voordoet – wil de meester zijn wil nu onder alle omstandigheden doorzetten en hij schijnt mij hiervoor bijzonder geschikt te vinden: hij wil bij mij aan het daglicht treden, tot iedere prijs! Ik geef toe dat ik hem vaak eng vind en ik ben tegenover hem angstig en voorzichtig. Hij is niet alleen goed, maar kan ook kwaad en gevaarlijk zijn. Dat is hij echter juist dan het meest wanneer je probeert hem te negeren, zoals de hoofdman uit Wenen gedaan heeft. Zodoende ben ik enerzijds angstig, anderzijds fascineert hij mij. Ik kan hem niet meer loslaten, zoals hij mij niet.’

Tenslotte begint Pauli in zijn verbeelding de omtrekken van het thuisland van de meester te ontwaren. Hij merkt dan op: ‘Hoort het thuisland niet eigenlijk onafscheidelijk bij de meester? Zoals de meester van gestalte wisselt in de tijd, zo bestaat er een vroeger, een huidig en een toekomstig thuisland, zoals er ook een vroeger, een huidig en een toekomstig gezicht van de vrouw bestaat.’ De Chinese dame corrigeert Pauli: ‘Jij vergeet het vierde, het tijdloze, zowel bij het thuisland als bij de vrouw. Dat alleen is de eenheid in het conflict tussen de drie dat het leven zelf is.’

Dit onderricht door de dame maakt een zeer grote indruk op hem. Bescheiden geworden zegt hij tot haar:

‘Deze les heeft al lang geduurd, nu moet ik heengaan onder de mensen, in mijn mannenwereld. Maar ik zal terugkomen.’

Zij vraagt: ‘Wat wil je onder de mensen?’

Pauli: ‘Met alle middelen proberen de meester te verzoenen.’

Daarop antwoordt de meester vriendelijker dan vroeger: ‘Reeds lang heb ik daarop gewacht.’

Hierna maakt Pauli een diepe buiging en hij spreekt tot zichzelf: ‘Mijn bewustzijn kan niet bestaan zonder een paar van tegenstellingen. Voor mij als man zal de eenheid voorbij mijn bewustzijn steeds bij mijn dame zijn.’ De Pianoles eindigt dan als volgt:

Nu leek het mij tijd om te gaan, maar daar hoorde ik nog eenmaal de stem van de meester: ‘Wacht. Transformatie van het evolutiecentrum.’

‘Vroeger zei men: lood verandert in goud,’ dacht ik.

Op dat ogenblik trok de dame een ring van haar vinger, een ring die ik tot dan toe niet gezien had. Zij liet hem in de lucht zweven en onderrichtte mij:

‘Jij kent de ring wel uit jouw leerschool der wiskunde. Het is de “ring i”.’

Ik knikte, terwijl ik de woorden sprak:

‘De i maakt de leegte en de één tot paar. Tevens is het de operatie van een kwart draaiing van de hele ring.’

Zij: ‘Zij maakt het instinctieve of driftmatige, het intellectuele of rationele, het spirituele of bovenzinnelijke, waarvan jij sprak, tot een geheel of een monade, wat de getallen zonder de i niet kunnen voorstellen.’

Ik: ‘De ring met de i is de eenheid voorbij deeltje en golf en tegelijk de operatie die een van beide te voorschijn brengt.’

Zij: ‘Hij is het atoom, het ondeelbare, in het Latijn…’ Bij deze woorden keek zij mij veelzeggend aan, maar het scheen mij niet nodig Cicero’s woord voor het atoom hardop uit te spreken.

Ik: ‘Hij maakt de tijd tot statisch beeld.’

Zij: ‘Hij is het huwelijk en hij is tegelijk het rijk van het midden waar men niet alleen, maar slechts met zijn tweeën komen kan.’

Er ontstond een pauze, wij wachtten op iets.

Toen: De stem van de meester spreekt, veranderd, vanuit het centrum van de ring tot de dame:

‘Blijf genadig.’

  •  

    –x–x–x–x–

Nu wist ik dat ik kon gaan, weg uit de kamer, de gewone tijd en de gewone ruimte van alledag in.

Toen ik buiten was, merkte ik dat ik een jas aan had en een hoed op. Uit de verte hoorde ik nog een C-grote terts vierklank CEGC die blijkbaar door de dame zelf gespeeld werd, toen zij weer alleen was.

Hedendaagse alchemie

Wat betekenen al deze innerlijke beelden en hoe kunnen zij met synchroniciteit in verband staan? De slotpassage begint, wanneer Pauli over de anima en het Zelf begint te spreken. De anima vormt de vrouwelijke personificatie van het onbewuste bij de man. Het Zelf is het centrale archetype dat niet alleen het middelpunt vormt van onze persoonlijkheid, maar ook de omtrek van bewustzijn en onbewuste omvat. De Chinese dame is voor Pauli natuurlijk de anima, terwijl de meester het Zelf personifieert. Pauli spiegelt zich nu voor dat deze archetypische krachten aan de wisseling der tijden onderhevig zijn. Maar de Chinese dame wijst hem erop dat hij daarbij het tijdloze vergeet. Tegenover de drieslag van verleden, heden en toekomst is het tijdloze het vierde dat de eenheid vormt ‘in het conflict van de drie.’ Vervolgens belooft Pauli om de meester met de mannenwereld, d.w.z. met de theoretische natuurkunde te verzoenen. Hij wil vertrekken, maar wordt tegengehouden. Daarop toont de Chinese dame hem een wiskundig symbool dat werkelijk het tijdloze verbeeldt en de twee werelden van natuurkunde en dieptepsychologie met elkaar verbindt. Het is een ring die tot dan toe verborgen heeft gezeten aan haar hand.

Wiskundigen weten direct dat deze ring de eenheidscirkel in het complexe vlak is. Het complexe vlak is tweedimensionaal en wordt opgespannen door twee assen: de reële as en de imaginaire as. Het is alsof in dit vlak de concrete wereld en de verbeeldingswereld elkaar ontmoeten. Alle punten in het complexe vlak kunnen voorgesteld worden door paren getallen. De imaginaire eenheid i is een afkorting voor het paar (0,1) oftewel ‘de i maakt de leegte (0) en de één (1) tot paar.’ Meetkundig gezien kan het getal i ook als vermenigvuldigingsfactor opgevat worden die in het complexe vlak een draaiing over 90° bewerkstelligt (de kwart draaiing van de ring). Maar de meeste mensen kennen i uit de algebra als de geheimzinnige wortel uit min één: i x i = -1. En geheimzinnig is i zeker, omdat het getal door de Chinese dame als symbool voor de weg naar heelheid wordt opgevat. De i maakt immers het instinctieve, het intellectuele en het spirituele ‘tot een geheel of monade.’

De ring i of eenheidscirkel in het complexe vlak.

Wat is een monade? De monas werd in de alchemie opgevat als een spiritueel lichaam, als het ene waarin de vier elementen aarde, water, vuur en lucht met elkaar verenigd waren. De Latijnse term voor monas is quinta essentia waarvan ons woord kwintessens is afgeleid. De monas is hiermee een van de vele synoniemen voor de steen der wijzen. Psychologisch gesproken is de monas een symbool voor het Zelf. Maar in de verbeelding van Pauli zien we nu dat een dergelijk symbool ook naar de natuurkunde kan verwijzen. Als wiskundig symbool vormt de ring i namelijk het hart van de kwantummechanica. Deze theorie beschrijft, zoals hiervoor opgemerkt, een atomaire werkelijkheid die in sommige experimenten uit deeltjes en in andere experimenten uit golven of trillingen lijkt te bestaan. Zonder de imaginaire eenheid kan deze paradoxe wereld niet wiskundig beschreven worden en daarom merkt Pauli op dat de ring met de i ‘de eenheid voorbij deeltje en golf’ is. Terwijl fysische atomen wel degelijk deelbaar zijn, geldt dit niet voor de ring i. De ring is het eigenlijke atoom, het ondeelbare dat in het Latijn individuum heet. Hij is ook het tijdloze, want hij ‘maakt de tijd tot statisch beeld.’

Deze ring i werd in de alchemie het rotundum, het ronde ding, genoemd. In zijn essay over synchroniciteit verbindt Jung dit symbool met de mens als microkosmos. Zo schrijft hij: ‘De microkosmos is in de alchemie van gelijke betekenis als het zogeheten rotundum, een sinds Zosimos van Panopolis (derde eeuw) geliefd symbool dat ook als monas werd aangeduid.’7 Jung merkt hierbij op dat de innerlijke en de uiterlijke mens samen het geheel vormen. Samen vormen zij de microkosmos waarin het grote begin, het Tao, nog ongedeeld aanwezig is. En vermoedelijk duikt het symbool van de ring i om deze reden ineens op in Pauli’s verbeeldingswereld. De ring i vormt de sleutel tot het Tao, tot de ervaring van zin. Enkel de mens die in zichzelf genezen is ervaart de correspondentie tussen zijn eigen kleine wereld en de grote wereld om hem heen. Maar genezing is niet mogelijk zonder de ervaring van liefde. Daarom merkt de Chinese dame op dat de ring het huwelijk en het rijk van het midden vormt, waar je alleen met zijn tweeën kunt komen. Dit laatste beeld heeft betrekking op de relatie die Pauli met Marie-Louise von Franz onderhoudt. Deze relatie stimuleert hem om het midden tussen de tegenstellingen van geest en instinct te zoeken. Daar in het midden is geen innerlijke gespletenheid meer. Daar is de mens heel.

Tenslotte spreekt de stem van de meester veranderd uit de ring tot de dame: ‘Blijf genadig.’ Dit mysterieuze slot heeft ermee te maken dat de ring i alchemistisch gesproken het hermetisch gesloten vat voorstelt waarin zich de transformatie van lood tot goud voltrekt. Daarbij is het giftige metaal lood in de alchemie een symbool voor een depressie, waarbij alle inhouden uit het onbewuste een duistere werking hebben die als zwartwording omschreven wordt. Goud is als stralend element een symbool voor de zonnige toestand die juist alle duisternis verdrijft. Aan het slot van de Pianoles ondergaat de meester een dergelijke transformatie van lood naar goud waarbij hij uiteindelijk twee woorden citeert uit het gebed dat Doctor Marianus aan het slot van Goethe’s Faust aan het eeuwig-vrouwelijke richt. Dat kan alleen maar betekenen dat de Chinese dame opgeklommen is tot de status van een godin. Zij personifieert nu de goddelijke wijsheid die in de alchemie tussen licht en duisternis, geest en natuur bemiddelt en aan Pauli het symbool schenkt dat het hem mogelijk maakt om de meester als zijn eigen meest innerlijke kern te ervaren. Maar Pauli aanvaardt dit symbool niet. Ineens breekt hij de ontmoeting buiten ruimte en tijd met de Chinese dame af. Hij keert met jas en hoed, d.w.z. als universiteitsprofessor weer in de gewone werkelijkheid van alledag terug. Het mystieke huwelijk met de Chinese dame gaat niet door. Zij blijft alleen achter en speelt in haar eentje het CEGC-akkoord dat in de Pianoles op de meester betrekking heeft.

De innerlijke Christus

De ring i is een innerlijke beeld. Maar daarmee is, zoals we gezien hebben, nog veel te weinig gezegd. Want de ring trekt zich als symbool weinig aan van onze scheiding tussen binnen- en buitenwereld. De ring i wordt in de kwantumfysica gebruikt om in de wereld van atomen door te dringen. Tegelijkertijd verwijst het symbool naar de mens als microkosmos. En die microkosmos vormt volgens Jung een spiegel van de macrokosmos. Dit klinkt misschien tamelijk ingewikkeld, maar in feite gaat het om iets alledaags. In de laatste lezing die Jung tijdens de zogeheten Eranos-conferenties heeft gehouden bespreekt hij voor het eerst in het openbaar het verschijnsel van synchroniciteit. Hij vermeldt dan ter introductie de volgende reeks voorvallen:

‘Op 1 april 1949 maakte ik ’s ochtends een notitie over een inscriptie, waarin gesproken wordt over een figuur die van boven mens, en van onderen vis is. Bij de lunch was er vis. Iemand noemde het gebruik ‘Aprilfisch’ (‘aprilvis’, 1-aprilgrap). ’s Middags bracht een voormalige patiënte, die ik sinds maanden niet meer had gezien, een paar indrukwekkende tekeningen van vissen mee. ’s Avonds toonde iemand mij een borduurwerk, waarop zeemonsters en vissen waren afgebeeld. De volgende ochtend kwam er een vroegere patiënte, die ik na tien jaar weer voor het eerst ontmoette. Ze had de nacht tevoren over een grote vis gedroomd. Toen ik een paar maanden later deze reeks in een uitvoeriger studie gebruikte, en net hierover had geschreven, liep ik naar een plek bij het meer voor mijn huis, waar ik diezelfde ochtend al een paar keer eerder was geweest. Dit keer lag er een dertig centimeter lange vis op de borstwering. Aangezien er verder niemand geweest kon zijn, weet ik niet hoe die vis daar is terechtgekomen.’8

Vermoedelijk hield Jung zich ten tijde van deze synchronistische voorvallen vrij intensief met het archetypisch symbool van de vis bezig. Een heel hoofdstuk uit zijn boek Aion, dat in 1951 zou verschijnen, is gewijd aan het vissymbool in de alchemie. Bovendien was zijn vrouw Emma in die jaren druk bezig met haar studie van de graallegenden. Ook in die legenden speelt het symbool van de vis een belangrijke rol. Het Griekse woord voor vis luidt ichthus en dit woord werd in het vroege christendom gelezen als I(esos) ch(ristos) th(eou) u(io)s, oftewel Jezus Christus, de zoon van God. Het symbool van de vis verwijst naar het archetype van de verlosser dat in de menselijke psyche vertoeft zoals een vis in het water. In de graallegenden komt ook een lijdende Visserkoning voor die aan het vissen is naar iemand die hem uit zijn lijden kan verlossen. Jung schrijft in Herinneringen, dromen, gedachten over deze motieven: ‘Ik herinner me hoe vaak de “Queste du Saint Graal” en de Visserkoning me in gedachten kwam, toen ik aan het ichthussymbool in Aion werkte. Als ik geen rekening had gehouden met het werk van mijn vrouw, dan had ik de Graalsage onvoorwaardelijk moeten betrekken bij mijn onderzoek van de alchemie.’9

De vis vormt een symbool van de innerlijke Christus. Om deze reden was de kerk niet zo te spreken over dit symbool. Terwijl in de graalvertelling van Robert de Boron de vis een belangrijk onderdeel vormt van de eucharistieviering, houdt de katholieke kerk het bij brood en wijn. De vis uit de diepte lijkt verdwenen. Maar een vis kan onverwacht weer te voorschijn komen. En dat lijkt bij Pauli gebeurd te zijn. Want zijn meesterfiguur is niemand anders dan de innerlijke Christus. Daarom moet de hoofdman uit Wenen zeggen: ‘Ik ben het niet waard dat Gij komt onder mijn dak.’ Maar hoe kan een vis de verlosser symboliseren?

Jung merkt in Aion op dat de vis enkel de innerlijke Christus betekent in een stomme en onbewuste vorm. Want een vis kan niet praten. Dat Christus bij Pauli als de meesterfiguur verschijnt, betekent dan ook een aanzienlijke toename in bewustwording. De vis uit de diepte heeft bij hem menselijke gestalte aangenomen. En deze gestalte achtervolgt Pauli met zijn wens om door de wereld van de wetenschap serieus te worden genomen.

Maar die wens wordt door de theoretisch fysicus niet gehonoreerd. De meester vist achter het net. Want de vogel is alweer gevlogen. Op het beslissende moment wendt Pauli zich van de Chinese dame en de meester af. En dat blijft natuurlijk niet zonder gevolgen. In de jaren na de voltooiing van de Pianoles raakt Pauli innerlijk zijn oriëntatie kwijt. Hij verbreekt zijn relatie met Marie-Louise von Franz en begint ook Jung te mijden. Vervolgens begint de hele dieptepsychologie hem te irriteren. Jungs secretaresse Aniela Jaffé vertelt daarover in een interview: ‘Op een dag begon hij volkomen onverwacht in heftige bewoordingen de psychologie van Jung te kritiseren en daarmee ook mij. Ik was zeer geraakt, begon te huilen en verzocht hem mijn appartement te verlaten. Daarna hebben wij elkaar niet vaak meer gezien.’10

Wel blijft Pauli nog brieven schrijven aan Jaffé. In oktober 1958 schrijft hij haar dat hij zich niet goed voelt. Hij weet niet meer wat hem in het leven te doen staat en besluit zijn brief met: ‘Kleiner Mann, was nun?’11

Twee maanden later, op 5 december, wordt Pauli tijdens het geven van college overvallen door heftige pijnen. Hij moet een taxi naar huis nemen. Een dag later ligt hij in het Rode Kruis Ziekenhuis van Zürich. Daar overlijdt hij op 15 december. Hierover weet Jaffé nog te melden: ‘Dan heb ik nog iets tragisch beleefd. Na Pauli’s dood vertelde mevrouw Pauli mij dat een van de laatste dingen die haar man gezegd had het volgende was: “Nu zou ik nog met één iemand willen spreken: C.G. Jung.” Toen ik dat later aan Jung vertelde, zweeg deze berustend. Want natuurlijk had Jung zich verheugd, wanneer Pauli hem in de achterliggende jaren voor een gesprek had opgezocht en niet had gemeden.’12

Noten:

1. Herbert van Erkelens, Het spel van de wijsheid, Kok/Agora, Kampen, 1995, p. 72.

2. Carl Gustav Jung, Synchroniciteit. Een acausaal verbindend beginsel, Lemniscaat, Rotterdam, 19812, p. 30.

3. Herbert van Erkelens, Het spel van de wijsheid, pp. 83/84.

4. Markus Fierz, Naturwissenschaft und Geschichte, Birkhäuser Verlag, Basel/Boston/Bern, 1988, p. 190.

5. Tekst van een ansichtkaart gevonden in de wetenschapshistorische afdeling van de ETH in Zürich.

6. Herbert van Erkelens, Het spel van de wijsheid, hoofdstuk 8.

7. Carl Gustav Jung, Synchroniciteit, p. 81.

8. Carl Gustav Jung, ‘Opmerkingen over synchroniciteit’, Archetype en onbewuste, Verzameld Werk, deel 2, Lemniscaat, Rotterdam, 1985, pp. 288-289.

9. Carl Gustav Jung, Herinneringen, dromen, gedachten, Redactie Aniela Jaffé, Lemniscaat, Rotterdam, 19853, p. 187.

10. Herbert van Erkelens, Het spel van de wijsheid, p. 163.

11. Tevens de titel van een ontroerend boek van Hans Fallada.

12. Herbert van Erkelens, Het spel van de wijsheid, p. 163.

Dit artikel verscheen voor het eerst in Prana 120, themanummer ‘Het innerlijk beeld’, augustus/september 2000. Een Engelse vertaling van de gehele Pianoles is verschenen in: Harvest. Journal for Jungian Studies, Vol. 48, No. 2 (2002) 122-134. De oorspronkelijke Duitse versie staat in: Herbert van Erkelens, Wolfgang Pauli und der Geist der Materie, Königshausen & Neumann, Würzburg, 2002. Belangrijke fragmenten uit Pauli’s zoektocht staan in: Herbert van Erkelens, De dertien tonen van de schepping, Symbolon, Amstelveen, 2006, hoofdstuk 4.