De drie fasen van het alchemistische transformatieproces

**

Psychologie en alchemie

Omdat er vier elementen en vier naturen zijn, waren er oorspronkelijk ook vier kleurfasen. Maar Jung merkt in Psychologie und Alchemie op: ‘In de vijftiende en zestiende eeuw worden de kleuren tot drie teruggebracht, waarbij het geelworden, ook ‘critinitas’ genaamd, geleidelijk komt te vervallen, of nog zelden genoemd wordt… Terwijl de oorspronkelijke tetramerie een nauwkeurige afspiegeling van de quaterniteit der elementen was, wordt thans vaak opgemerkt dat er vier elementen (aarde, water, lucht, vuur) en vier eigenschappen (warm – koud – vochtig – droog) zijn, maar daarentegen slechts drie kleuren: zwart, wit en rood. Aangezien het proces nooit tot het gewenste doel heeft geleid, en ook in zijn afzonderlijke fases nooit volgens de regels werd uitgevoerd, kan de verandering van de indeling van de fases ook niet door uiterlijke redenen verklaard worden. Het heeft meer te maken met de symbolische betekenis van de quaterniteit, dus met innerlijke, psychische redenen.’ (Verlossing in de alchemie, pp. 9-11)

Maar wat is alchemie eigenlijk? Volgens de Vlaamse kunsthistoricus Jacques van Lennep gaat het om een kunst: ‘De meest algemene betekenis van de alchemie is die van kunst van het transmuteren die erin bestaat gewone metalen om te zetten in zilver en goud. om zover te geraken moest de beoefenaar de steen der wijzen ontdekken, die in de hoedanigheid van “projectiepoeder” deze omzetting kon bewerkstelligen. Het geheel van bewerkingen om hiertoe te komen werd het “grote werk” genoemd. Daarenboven zocht de alchemie naar een universele remedie, het levenselixir. De alchemie, aldus van haar meest karakteristieke kant gedefinieerd, vertoonde twee aspecten, een bewerkend en een beschouwend. het eerste behandelt de metaalbewerking en de voorwetenschappelijke scheikunde, het tweede doet zich voor als een mystieke zoektocht. Deze twee aspecten werden niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld. Zij komen in verscheidene mate samen voor.’ (Alchemie, p. 10)

Verder merkt hij op dat de etymologie van het woord alchemie niet opgehelderd is. het voorvoegsel ‘al’ komt uit het Arabisch. De Arabische alchemisten spraken van al khemia. ‘Khemia’ zou afkomstig kunnen zijn van het Griekse werkwoord cheo wat “vloeien, vervloeien” of van chimo wat “smelten” betekent. Maar het is niet zeker of ons woord chemie uit het Grieks afkomstig is. Want het is ook mogelijk dat de alchemie haar naam ontleent aan haar land van herkomst, Egypte. De vruchtbare strook land langs de Nijl met haar delta werd door de Egyptenaren als ‘het zwarte land’ aangeduid, wat een verwijzing is naar het zwarte vruchtbare slib dat door de Nijl naar Egypte werd gevoerd. In het oud-Egyptisch heette dit zwarte land volgens de Griekse schrijver Plutarchos Chèmia.

Hieruit concludeert Van Lennep: ‘Het is juist dat in het Koptisch de “zwarte aarde” en bij uitbreiding de oude naam van Egypte khemi of khomi werd genoemd […] Het valt niet moeilijk hieruit symbolische conclusies te trekken en dit beeld van de zwarte aarde in verband te brengen met één der fasen in het grote werk dat erin bestond het metaal “zwarte te maken” of te verschroeien ( de nigredo-fase).’ (p. 11)

Wanneer we nu de drie kleurfasen vanuit een psychologische invalshoek beschouwen, gaan we ervan uit dat alchemie grotendeels een projectie van onbewuste inhouden op scheikundige processen binnen de retorte is. De scheikundige stoffen ondergingen kleurveranderingen, maar de betekenis daarvan voor de alchemist lag voornamelijk op een psychologisch vlak. Dat is zichtbaar aan de uitspraken van de alchemisten zelf. De nigredo of zwarte fase is ereen van verval en bederf. in het volgende fragment van George Ripley is deze fase het resultaat van een huwelijk, d.w.z. een verbinding van verschillende stenen (stoffen): ‘In het begin zult gij onze Stenen nemen en ze elk in het graf begraven en een huwelijk tussen hen voltrekken opdat ze samen zouden slapen. De zwartheid zal u zeggen wanneer ze zullen sterven, want binnen die tijd zullen ze zwellen, opborrelen en rotten. Aldus betaamt het door de deur van zwartheid te gaan als gij het voortdurende licht wilt bereiken, want de zon is donker bij haar opkomst.’ (Jacques van Lennep, Alchemie, p. 30)

De albedo of het witte werk volgt op de zwartwording. De albedo heeft tot doel een steen te maken die gewoon metaal in zilver kan transmuteren. Dit wordt de witte steen genoemd. Daartoe dient de ziel van de steen die bij de zwarte fase het lichaam van de steen had verlaten gereinigd te worden. Het achtergebleven ontzielde lichaam dient zoals een mummie geconserveerd te worden. Zo merkt de alchemist Morienus tegenover de Arabische vorst Calid op: ‘Wie de ziel (van de steen) wit gemaakt heeft en haar weer heeft laten opstijgen en wie het lichaam goed heeft bewaard en alle duisternis ervan heeft verwijderd en het van de vieze geur heeft ontdaan, die zal de ziel zelf in het lichaam kunnen laten binnentreden.’ Het wit maken en het conserveren of mummificeren zijn de twee operaties doe tot het witte werk gerekend worden.

Tenslotte gaat het erom de rode steen der wijzen te vervaardigen. Die zou de transmutatie in goud kunnen bewerkstelligen. In de Turba philosophorum (Bijeenkomst der filosofen) wordt het rode werk als volgt omschreven: ‘Wanneer u nog meer kookt wordt het rood en het zeewater wordt rood als de kleur van het bloed en dat is het teken dat God zijn hele tijd volbracht heeft en komt om de goeden te verheerlijken en het is het laatste teken van zijn komst […] De gehele zee, de gehele aarde zullen samensmelten en de lichamen die dood waren zullen opstaan uit de graven en zullen verheerlijkt worden en zullen hun aangezicht roemrijk en duizendmaal schitterender dan de zon hebben. En het lichaam, de geest en de ziel zullen roemrijk verenigd worden.’ (Jacques van Lennep, Alchemie, p. 30)

Aan dit laatste fragment zien we duidelijk wat het streven van de alchemie inhoudt. Het gaat om de ervaring van de opstanding uit het dodenrijk en het binnentreden van de onsterfelijkheid. Daartoe dient de rode steen der wijzen vervaardigd te worden. Er is in de alchemie geen lijdzaam afwachten tot het einde der tijden. De alchemist beoogt de opstanding al in dit leven te bewerkstelligen. Tegelijkertijd verwacht hij of zij van de vervaardiging van de steen der wijzen een heilzaam effect op onedele metalen. De witte steen kan immers de transmutatie tot zilver en de rode steen de transmutatie tot goud bewerkstelligen.

Symbolische voorstelling van de rode steen der wijzen als verenigd product van koning en koningin. Wij zien links de zonneboom, rechts de pelikaan waarvan de alchemisten dachten dat het dier zich in de eigen borst pikte om de jongen met bloed te voeden. De pelikaan was hiermee ook het symbool van Christus die zijn bloed had gegeven voor de verlossing van de mensheid.

Enkele symbolen rond de drie kleurfasen:

Nigredo, de zwart-wording, de zwarte raaf, het onedele metaal lood, de planeet Saturnus

Albedo, de wit-wording, de witte duif, het edel metaal zilver, de Maan

Rubedo, de rood-wording, de pelicaan, het edel metaal goud, de Zon

_**

Nigredo

Wat zegt Jung in Psychologie und Alchemie over de nigredo? ‘Het zwarte, ‘nigredo’, is de begintoestand die of als eigenschap van de ‘oermaterie’, van de chaos of van de ‘verwarde massa’ al van tevoren aanwezig is, of door deling (solutio, separatio, divisio, putrefactio = oplossing, scheiding, verdeling, rotting) tot stand komt. Wanneer een verdeelde toestand al aan het begin bestaat, zoals soms kan voorkomen, dan wordt er een vereniging van de tegenstellingen uitgevoerd, die vergeleken wordt met de vereniging van het mannelijke en het vrouwelijke (coniugium, matrimonium, coniunctio, coïtus = verbintenis, huwelijk, vereniging, geslachtelijke vereniging). Daarna treedt de dood van het product van deze vereniging in (mortificatio, calcinatio, putrefactio = doodgaan, verkalking, verrotting) met het bijbehorende zwartworden.’ (Verlossing in de alchemie, pp. 11/12)

Dus er is in den beginne chaos of er vindt een proces plaats dat tot de dood leidt. Vandaar dat het graf een belangrijk symbool in de alchemie is. De alchemist Zosimos van Panapolis (300 n.Chr.) noemt de ‘volkomen zwartheid’ het ‘graf van Osiris’ of het ‘zwarte doodshoofd’, naar analogie van de gemummificeerde Osiris, van wie uitsluitend het zwart verbrande doodshoofd boven de mummiewindselen zichtbaar was.’ (Heleen de Jong in Prana 46) In het graf ligt de inhoud waarom het gaat. Omdat het graf zich in dromen vaak in een onderaardse ruimte bevindt, heet deze inhoud in de Jungiaanse psychologie de onderaardse god.

De zwartwording als resultaat van een vereniging van chemische stoffen.

Marie-Louise von Franz schrijft in C.G. Jung: His Myth in Our Time: ‘Als een lijk is de onderaardse god gekist in de materie en wacht hij op zijn opstanding die hierdoor plaatsvindt dat de enkeling zich om de ontwikkeling van de “innerlijke mens” bemoeit. Zo is hij enerzijds de meest innerlijke zielekern van de enkeling, en tegelijkertijd een soort van collectieve ziel van de hele mensheid.’ (p. 123) Verder meent zij:

‘De nigredo heeft haar parallel in de ontmoeting met de schaduw in het individuatieproces. Alles wat men tevoren met morele verontwaardiging bij anderen bekritiseerd heeft, wordt door de dromen als deel van het eigen wezen “opgediend” … Wanneer een latente psychose voorhanden is, kan de demon van het lood, Nietzsche’s “geest van de zwaarte”, feitelijk een psychose veroorzaken. Het “ik” voelt zich van zijn illusoire almacht beroofd en met de verwarrende, duistere macht van het onbewuste geconfronteerd. Deze toestand kan zeer lang duren, totdat alle donkere kanten aan ons bewust gemaakt en alle autonome deelpersoonlijkheden erkend en moreel aan banden zijn gelegd.’ (C.G. Jung: His Myth In Our Time, p. 22223)

Een voorbeeld van de nigredo: de kinderdroom van de onderaardse fallus door Jung verteld in Herinneringen, dromen, gedachten. De kleine Carl begon de ‘Here Jezus’ te wantrouwen. De ‘Here Jezus’ nam de gestorvenen tot zich. Hij zou een “menseneter” zijn. Vervolgens droomde Jung dat hij achter de boerderij van de koster via een stenen trap in de aarde afdaalde. Hij kwam uit in een stenen gewelf. Een rode loper liep in deze schemerig verlichte ruimte naar een laag podium. En daarop stond een kostbare gouden troon. De droom gaat als volgt verder:

_

‘Deze troon was prachtig, zoals in een sprookje, het was een echte koningstroon! En daar stond nu wat op. Het was een reusachtig gewrocht, dat bijna tot de zoldering reikte. Eerst dacht ik dat het een hoge boomstam was. De doorsnede was ongeveer vijftig tot zestig centimeter, de hoogte vier tot vijf meter. Maar er was iets merkwaardigs mee: het ding bestond uit huid en levend vlees; aan de bovenkant zat een soort kegelvormig hoofd, zonder gezicht en zonder haar. Alleen helemaal bovenin zat één oog dat onafgebroken naar boven staarde.

Het was tamelijk licht in deze ruimte, hoewel je geen verlichting of vensters kon ontdekken. Boven het hoofd hing een zekere lichtglans. Het ding bewoog zich niet, maar toch had ik het gevoel alsof het elk moment slangachtig van de troon kon komen om naar me toe te kruipen. Ik stond verlamd van schrik. Op dat ondraaglijke moment hoorde ik plotseling boven me mijn moeders stem, het leek alsof het geluid van buiten kwam: “Ja, kijk maar eens goed naar hem. Dat is de menseneter!” Ik werd doodsbang en schrok wakker, klam van angst. Na die nacht was ik nog lang bang om te gaan slapen, want ik vreesde nog eens zo te dromen.’

Jung merkt dan onder meer op dat het hem jaren gekost heeft om vanuit deze grafkamer weer de oppervlakte van de aarde te bereiken. Hij schrijft: ‘Door deze kinderdroom werd ik ingewijd in de geheimen van de aarde. Ik werd als het ware begraven in de aarde, en het duurde jarenlang voordat ik weer te voorschijn kwam. Ik weet nu dat dit gebeurde om de grootst mogelijke mate van licht in de duisternis te brengen. Het was een soort inwijding in het rijk van de duisternis. Destijds heeft mijn geestelijk leven zijn onbewuste aanvang genomen.’

_**

Albedo

De zwartheid dient ‘witgewassen’ te worden. Over dit reinigingsproces meent Jung: ‘Deze fase van ‘nigredo’ leidt via het wassen (ablutio, baptisma = afspoelen, dopen) of rechtstreeks tot het witworden, of de ziel die bij de dood ontsnapt is (anima) wordt weer verenigd met het dode lichaam waardoor dit weer tot leven komt, of de ‘vele kleuren’ (omnes colores, pauwenstaart) leiden tot de ene witte kleur, die alle andere kleuren bevat. Hiermee is het eerste hoofddoel van het proces, namelijk het ‘witte’, de ‘witte kleur’, de ‘witte bebladerde aarde’, enzovoort, bereikt, wat door velen al zo hoog geprezen wordt alsof hiermee het eigenlijke doel al bereikt zou zijn. Het is de toestand van zilver of van de maan, die echter nog verheven moet worden tot de toestand van de zon.’ (Verlossing in de alchemie, p. 12)

Het witte werk wordt in de alchemie onder meer omschreven als balsemen, inzouten. Dit is een bekende methode om een lijk tegen bederf te beschermen. Dankzij het zout wordt het vocht aan het lichaam onttrokken. In de alchemistische filosofie wordt het lichaam daarmee vergoddelijkt, tot een onsterfelijk lichaam gemaakt. Zout is dus heel belangrijk. Het is een symbool voor de witte steen der wijzen. De Jungiaanse analytica Eva Wertenschlag-Birkhäuser schrijft in haar Diplomthesis over zout: ‘In het Rosarium Philosophorum wordt gezegd dat wie het zout kent, het geheim van de kunst kent en “De zouten en aluinen zijn de helpers van de steen. Het zout hoort bij Luna (de Maan), want het is wit, koud en vochtig. Tegelijkertijd is het een geest, de “geest van het zout”, want het is licht en er woont ook een vuur in […] Het vurige wordt in de smaak van het zout aangetroffen. “Men dient te weten dat het zout vuur is en droogte.” en “Zouten hebben een vurige natuur.” Wegens zijn “vurige” natuur wordt het zout vaak als vogel voorgesteld, bijvoorbeeld als (witte) duif.’  (pp. 134/35) Het alchemistische zout verenigt dus vele tegenstellingen in zich. Het vertegenwoordigt onder meer psychische ervaringen en eigenschappen zoals bitterheid en wijsheid. Wij zeggen ook ‘iets met een korreltje zout nemen.’ Hieruit concludeert Wertenschlag-Birkhäuser: ‘Doordat het zout zoveel tegenstellingen in zich verenigt, heeft het reeds verwantschap met de steen […] De steen wordt daarom “zout” genoemd en het zout heet op zijn beurt “lapis albus” (witte steen). Het zout vormt een voorstadium tot de steen. Het correspondeert met de albedo […] De witwording wordt door de Arabische alchemist Senior de “salsatura” (het zouten) genoemd.’ (p. 135)  

Symbolen van de witte fase: koning en koningin werken aan het alchemistische opus. ‘Alle dingen komen uit het groen voort,’ zegt een Arabische filosoof.

De albedo is ook de fase waarin de ziel weer met het lichaam verenigd wordt. Volgens Von Franz correspondeert de albedo met de integratie van de anima bij de man en de animus bij de vrouw. Ze schrijft: ‘Psychologisch gezien gaat het om het probleem van de overdracht, van de liefdesconstellatie tussen arts en patiënt of om het probleem van een grote hartstochtelijke liefde die zich evenzo vaak buiten een analyse constelleert. In de alchemistische symboliek is het probleem, geprojecteerd als ‘mystiek huwelijk’ van de elementen, in de meest verschillende varianten voorgesteld… De oude alchemisten werkten vaak samen met een vriendin (soror mystica) of met hun echtgenote. Hun anima- en animus-componenten waren in de te bewerken stof geprojecteerd, d.w.z. ze probeerden het in de retorte te bewerkstelligen. Ook in een liefdessituatie tijdens de analyse of in het leven zijn in een dergelijk geval eigenlijk telkens vier figuren geconstelleerd: de man en zijn anima en de vrouw en haar animus. Tussen deze vier elementen bestaan alle mogelijke aantrekkings- en afstotingsfenomenen.’ (C.G. Jung: His Myth in Our Time, pp. 223/24)

Een overdracht leidt altijd tot een of andere vorm van kruisiging. Von Franz: ‘Je wordt doorkruist: ten eerste door het opkomen van de eigen schaduw in de vorm van jaloezie, machtsaanspraken, seksuele hartstochten etc., ten tweede doordat de partner niet zo is zoals je die zou willen hebben, en ten derde door de inhouden van het collectieve onbewuste die door de overdracht omhoogkomen en creatief invloed op het eigen lot beginnen uit te oefenen. Dit alles leidt tot een dood van het ik, en, wanneer alles goed gaat, tot een geboorte van het Zelf.’ (‘Über einige Aspekte der Übertragung’, in: Psychotherapie, pp. 255-256.)

Voorbeeld van de albedo: wandeling in het maanlicht. De hier volgende dromen zijn ontleend aan mijn boek Wolfgang Pauli und der Geist der Materie, hoofdstuk 6. Theoretisch fysicus Wolfgang Pauli had een ontmoeting met dieptepsychologe Marie-Louise von Franz. Kort daarop (10 januari 1951) kreeg hij twee dromen in dezelfde nacht. In de ene droom probeert een schaduwfiguur Pauli een verkeerde hoed aan te reiken. Tenslotte moet hij te voet in het maanlicht verder gaan. In de tweede droom is de vreemdeling, een personificatie van het Zelf, aanwezig. Pauli treedt een hotel binnen dat ‘de oude zon’ heet. Het hotel vertegenwoordigt een verouderde instelling van het bewustzijn. Hij moet op zoek naar ‘de nieuwe zon’ die in de vervelling van zijn linkerbeen (motief: wedergeboorte) is aangekondigd.

‘Ik rij met de auto bergopwaarts, naast mij zit een iets jongere natuurkundige W. Daar begint de huid van mijn linkerbeen te vervellen. In massa’s valt de huid af, daaronder wordt roze huid zichtbaar. Wij komen aan het eind van de autoweg, alleen een voetpad gaat verder. Ik stop. Nu brengt W. mij een hoed met een “vals” (van mijn initialen verschillend) monogram. Ik geef hem als niet bij mij horend terug. Daarop snijdt W. uit een andere hoed de letters weg en wil mij nu deze geven. Maar ook deze hoed erken ik niet als de mijne en geef hem eveneens terug. Ik zie dat het nu slechts mogelijk is in het maanlicht te voet verder te gaan, wat ik echter gevaarlijk vind. Ook komt mij de bestemming van deze weg dubieus voor.’

‘De vreemdeling is bij mij. Hij zegt mij dat ik voor een officiële plechtigheid naar Küsnacht moet gaan; hij zal mij via een omweg nakomen. Ik ga te voet weg en treed een hotel binnen dat, zoals op het huis geschreven staat, de “Alte Sonne” heet… Daar tref ik zittend aan een tafel de notabelen van de gemeente aan. Ook zit er een blond meisje aan de tafel dat zeer verdrietig is. Huilend zegt zij dat zij door te trouwen met een Duitser de Zwitserse nationaliteit verloren heeft. Tenslotte zegt een van de notabelen: “Mej. von Franz moet hier ook trouwen.” In afwachting van de vreemdeling ontwaak ik.’

_**

Rubedo

Hoewel bij de albedo de ziel weer met het lichaam verenigd wordt, geldt dit niet voor de geest. Er is dan ook nog een derde kleurfase in de alchemie, de rubedo die leidt tot de vereniging van lichaam, ziel en geest in de rode steen der wijzen. Jung merkt op: ‘De ‘albedo’ is in zekere zin de dageraad, maar pas de ‘rubedo’ (het roodworden) is de zonsopgang. De overgang naar de rode fase wordt gevormd door het geelworden (citrinitas) dat … later komt te vervallen. Dan vloeit de ‘rubedo’ namelijk rechtstreeks voort uit de ‘albedo’ als resultaat van het opstoken van het vuur tot de hoogste graad. Het witte en het rode zijn de koningin en de koning die ook in deze fase hun ‘chemisch huwelijk’ kunnen vieren.’ (Verlossing in de alchemie, p. 12)

Symbolen van de rubedo: de rode koning in de retorte, de rosa rubea die uit de retorte groeit.

Von Franz geeft hierbij weer de nodige psychologisch verheldering: ‘Maar juist op het dieptepunt van het lijden (aan de overdracht) wordt als het ware de inhoud van de volgende fase verwekt, namelijk de “geboorte van de innerlijke mens”, d.w.z. van het Zelf of van de steen der wijzen. Op de fase van de albedo volgt in de alchemistische procedure de rubedo of critinitas (de roodwording of goudkleur). In deze fase is het werk ten einde, de retorte wordt geopend en de “steen der wijzen” begint een kosmische, helende werking uit te stralen. Hij verenigt in zich alle tegenstellingen en houdt de vier elementen van de wereld tezamen. Zo is ook het Zelf dat zich in het individuatieproces verwezenlijkt de meer omvangrijke en zich in het tijdloze uitstrekkende, innerlijke mens, de Anthropos, die als rond en tweeslachtig beschreven wordt en “een wederzijdse integratie van bewustzijn en onbewuste voorstelt”.’ (C.G. Jung: His Myth in Our Time, p. 227)

Omdat je psychologisch gesproken in de witte fase vier elementen heb, de ik-figuur, de partner, de anima en de animus, wordt hun vereniging wel voorgesteld als het ene, de monas, die de vier elementen in zich verenigt. In haar boek Traum und Tod heeft Marie-Louise von Franz het een en ander uitgebreid uitgelegd aan de hand van ‘Komarios onderwijst Cleopatra’, een oude tekst uit de Grieks-Egyptische  alchemie. Een psychologisch duiding van deze tekst is te vinden onder de link Komarios.

Marie-Louise von Franz heeft vlak voor haar negentiende verjaardag een grote droom gehad waarin als rubedo-motief ‘de zon op zijn hoogste stand’ voorkomt. In die tijd had zij besloten bij Jung in analyse te gaan. Zij heeft de droom anoniem gepubliceerd in haar boek C.G. Jung: His Myth in Our Time (hoofdstuk X: Mercurius). In de droom maakt ze een lange afdaling in de aarde. Uiteindelijk komt zij onder meer in een soort Walhalla aankomt: ‘Ik kom in een reusachtige zaal terecht waar de dode soldaten en zeelui van alle tijden verblijven. Zij tafelen vrolijk aan lange tafels en ik weet dat ik met hen geen contact mag opnemen, omdat ik anders voor altijd in het land der doden moet achterblijven. Zo sluip ik zachtjes langs de muur door de zaal. Maar als ik er bijna doorheen gekomen ben, heft een soldaat de beker met wijn en roept mij toe: “Aha, daar gaat ook een, die niet meer tot de levenden kan terugkeren, tenzij zij het water vindt dat uit de maagd gemaakt wordt.”

Met één sprong sta ik buiten en bevind mij plotseling weer aan de aardoppervlak aan de andere kant van de aardbol. Ik ben doodop van vermoeidheid en van de schok ouder geworden en gebroken. Dan zie ik een soort apothekerswinkel en ga daar naar binnen. Maar ik ben zo uitgeput dat ik buiten bewustzijn neerval. Wanneer ik na enige tijd weer tot mijzelf kom, zie ik juist voor mij een plank met een flesje helder water en ik weet: “Dat is het water dat ik zoek.” Ik neem het, geef aan de apotheker, die spottend zegt dat het maar gewoon water is, al het geld dat ik heb, en verlaat de winkel. Buiten is het stralend licht, de zon staat op zijn hoogst, en naast mij staat een man van wie ik weet dat ik altijd al met hem getrouwd was. Wij gaan gearmd naar het strand aan de zee en kijken over het water uit. Uit de diepte van het water komt een vierspan van zwarte paarden met een wagen te voorschijn, waarop met zeeschuim bedekt iets onherkenbaars met een numineuze uitstraling ligt. Bij het ontwaken valt mij te binnen: “Dat is de geboorte van Aphrodite.”’

Het water dat uit de maagd gemaakt wordt is een typisch alchemistisch symbool. In de alchemie werd Mercurius ook wel Virgo, Maagd, genoemd en wel omdat in de astrologie Mercurius de planeet is die bij de Maagd hoort. Het maagdelijk water verwijst naar het mercuriale levenswater dat een van de voorstellingen van het einddoel van het alchemistisch proces betreft. Wanneer Marie-Louise dit wondermiddel te pakken heeft gekregen, klaart de hemel op. De zon staat in het zenit (rubedo-motief) en naast haar staat de man met wie zij altijd al getrouwd is geweest, haar eeuwige bruidegom en ware zielebegeleider. Nu komt ze opnieuw aan het strand aan, maar ze is niet meer alleen. Ze heeft de liefde gevonden en uit het water komt op een vierspan de godin van de liefde te voorschijn: Aphrodite, die letterlijk de met zeeschuim bedekte heet.

_**

Het Mysterium Coniunctionis

Von Franz vergelijkt het verschijnsel overdracht in een therapeutische of liefdesrelatie met sympatheia = samen lijden. Zij onderscheidt in ‘Über einige Aspekte der Übertragung’ (Psychotherapie) vier aspecten aan de overdracht:

1. Projectie: een proces dat onbewust geschiedt. Het overdragen van onbewuste inhouden.

2. Bewustmaking van geprojecteerde inhouden, bijvoorbeeld bij een liefde die niet beantwoord wordt.

3. Menselijke relatie en vriendschap.

4. Lotsverbondenheid.

Von Franz meret bij dit laatste aspect op: ‘Daarmee komen we nu tot het vierde aspect [van de overdracht] dat ik een “lotsverbondenheid in het eeuwige” genoemd heb, het eigenlijke Mysterium Coniunctionis. [Wanneer dit aspect beroerd wordt,] gaat het om de belevenis van het Zelf, de innerlijke heelheid, die niet intellectueel, maar enkel door liefde begrepen kan worden. “Deze liefde is niet overdracht en is geen vriendschap in de gebruikelijke zin, noch sympathie. Zij is primitiever, oorspronkelijker en spiritueler dan wat wij [in woorden] zouden kunnen omschrijven.” (Citaat uit een brief van Jung.) In dit domein staan niet meer twee persoonlijke mensen tegenover elkaar, “maar de velen, tot wie wij horen, ontmoeten elkaar, een ieder wier hart wij beroeren.” Daar heerst “geen onderscheid, maar rechtstreekse aanwezigheid. Het is een eeuwig mysterie.” (…) Vandaar de enorme paradoxen waarmee de alchemistische Coniunctio-symboliek dit type relatie probeert voor te stellen.’

Als voorbeeld van het coniunctio-motief citeert Von Franz de volgende droom over een moord op Hitler. In de droom komt een haan met hoenderen voor. Die moeten zich seksueel inhouden. Een koninklijk paar stelt de andere pool van het coniunctio-motief voor. Zij moeten de realiteit juist wat dichter naderen. Het gaat erom het midden tussen de tegenstellingen te vinden:

‘Ik ben in München bij een regeringsgebouw waarvan ik weet dat Hitler daarin vertoeft. Tot mijn verbazing wordt het gebouw niet bewaakt. Nieuwsgierig treed ik naar binnen en bevind mij weldra alleen tegenover Hitler. Ik houd een pistool in de hand en de gedachte komt in een flits bij mij op dat dit een unieke gelegenheid is. Ik schiet Hitler neer en ren weg. Het pistool werp ik in een afvoerpijp. (Daarop volgt een lange jacht waarin ik achtervolgd word.) Tenslotte bevind ik mij te voet op een landweg en ben ik bij de grens met Zwitserland op weg naar huis. Daar zie ik voor mij in dezelfde richting een witte haan met een schaar hoenderen lopen. De haan vraagt mij of ik hem met zijn hoenderen wil meenemen naar Zwitserland. Ik willig zijn verzoek in, maar stel als voorwaarde dat hij zich onthoudt dan seksueel verkeer. De haan stemt daarin toe en een stem zegt: ‘En zo trokken zij daarheen als een hoge abt met zijn nonnen.’ Wanneer wij verdergaan, zie ik een jong, knap mensenpaar eveneens naar de grens trekken. Zij dragen gouden kronen op hun hoofd: het zijn een koning en een koningin. Omdat zij zeer wereldvreemd schijnen te zijn, bied ik hen aan met ons mee te komen, welk aanbod zij dankbaar aanvaarden. ’s Nachts lukt het ons de grens over te steken. De Zwitserse grenswachters plaatsen ons in een kamp ter quarantaine, waar wij vier weken moeten blijven. In deze periode, zo verlangen zij, zullen de eieren die door de hoenderen gelegd worden aan de Zwitserse staat toebehoren.’

Literatuurverwijzingen:

Herbert van Erkelens, Wolfgang Pauli und der Geist der Materie, Königshausen & Neumann, Würzburg, 2002.

Marie-Louise von Franz, C.G. Jung: His Myth in Our Time, Inner City Books, Toronto, 1998.

Marie-Louise von Franz, Psychotherapie. Erfahrungen aus der Praxis, Daimon Verlag, Einsiedeln, 1990.

Heleen de Jong, ‘Alchemie, een wetenschap, een kunst, een levensbeschouwing’, Prana 46, winter 1986.

Carl Gustav Jung, Verlossing in de alchemie, Verzameld Werk, deel 6, Lemniscaat, Rotterdam, 1986.

Jacques van Lennep, Alchemie. Bijdrage tot de geschiedenis van de alchemistische kunst, Gemeentekrediet van België, 1984.

Eva Wertenschlag-Birkhäuser, Das Gespräch zwischen Calid und Morienus. Deutung der Liebesproblematik anhand alchemistischer Symbole und einer modernen Traumserie, Diplomthesis am C.G. Jung-Institut, Zürich, 1985.

Herbert van Erkelens